Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
07-4130 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volmacht niet overlegd. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/63
ABkort 2008/515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4130 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2007, 06/478 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 16 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2008, waar partijen, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als autobuschauffeur bij de [naam werkgever]. Bij besluit van

16 september 2005 heeft het college appellant meegedeeld dat is besloten hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 79, eerste lid, onder j, artikel 83 en artikel 97, tweede lid, van het Ambtenarenreglement Rotterdam zonder toevoeging van het woord “eervol” disciplinair te bestraffen met ontslag en te bepalen dat deze straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

1.2. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 12 oktober 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 september 2005.

1.3. Bij aangetekende brief van 17 oktober 2005 is namens de Algemene Bezwaar-schriftencommissie van de gemeente Rotterdam verzocht haar vóór 31 oktober 2005 een machtiging toe te sturen, waaruit blijkt dat hij bevoegd is namens appellant als belang-hebbende een bezwaarschrift in te dienen. Tevens is daarbij meegedeeld dat indien het gevraagde niet voor de gestelde datum door het college is ontvangen, dit op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt tot het advies het bezwaar-schrift niet-ontvankelijk te verklaren.

1.4. Bij brief van 3 november 2007, ontvangen op 7 november 2007, heeft de gemachtigde van appellant een door appellant ondertekende machtiging overgelegd.

1.5. Het college heeft bij besluit van 30 december 2005, overeenkomstig het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, de bezwaren tegen het besluit van 16 september 2005 met toepassing van artikel 7:3 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gemachtigde van appellant niet binnen de gestelde termijn het verzuim heeft hersteld.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 30 december 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep betoogt de gemachtigde van appellant dat het college, evenals het bij advocaten beleidsmatig doet, het vragen van een machtiging achterwege had moeten laten. Nu appellant eerst in verzuim was op het moment dat niet tijdig was voldaan aan het verzoek tot overlegging van een machtiging, had aan appellant voorts de gelegenheid moeten worden geboden om het verzuim te herstellen. Het college had onder de gegeven omstandigheden moeten afzien van gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring. Door dit niet te doen heeft het college misbruik gemaakt van de hem in artikel 6:6 van de Awb gegeven bevoegdheid.

3.2. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. Op grond van artikel 6:5, aanhef en onder d, van de Awb dient het bezwaarschrift de gronden van bezwaar te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat het college op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb van de indiener van het bezwaarschrift mocht verlangen dat hij een volmacht overlegt waaruit blijkt dat hij gerechtigd is bezwaar te maken. De enkele omstandigheid dat het college - naar ter zitting bij de rechtbank is gebleken beleidsmatig - het vragen om een machtiging achterwege laat indien de indiener van het bezwaar een advocaat is, staat aan gebruikmaking van de in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb gegeven bevoegdheid niet in de weg.

4.3. Nu het college een machtiging verlangde en mocht verlangen was niet voldaan aan een bij artikel 2:1, tweede lid, van de Awb gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar en was sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Nu de gemachtigde van appellant dit verzuim niet binnen de bij brief van 17 oktober 2005 gestelde termijn heeft hersteld, was het college op grond van artikel 6:6 van de Awb bevoegd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

4.4. Gelet hierop en op het feit dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit verzuim verschoonbaar maken, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het college het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q