Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
07-2039 WWB + 07-2044 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Handelshoeveelheid hennep waaruit betrokkenen inkomsten hebben verworven. Door daarvan geen melding te maken, schending inlichtingenplicht. Beoordelingsperiode. Belastend besluit, bewijslast rust op bestuursorgaan. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2039 WWB

07/2044 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 februari 2007, 05/1483 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkenen], (hierna: betrokkenen)

en

appellant

Datum uitspraak: 28 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. G.P. Bisschop, advocaat te Hoogezand, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Betrokkenen zijn verschenen met bijstand van mr. Bisschop.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen ontvingen sedert 6 februari 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor gehuwden. Op 10 januari 2005 heeft de politie bij doorzoeking van hun woning ongeveer 1800 gram henneptoppen aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft appellant een nader onderzoek doen instellen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 8 maart 2005.

1.2. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft appellant bij besluit van 2 mei 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2005, de bijstand over de periode van 7 februari 2002 tot en met 9 januari 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.771,32 van betrokkenen teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkenen gegrond verklaard en het besluit van 5 oktober 2005 vernietigd, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Daarbij is overwogen dat de aanwezigheid van 1800 gram henneptoppen in de woning van betrokkenen vaststaat, dat hier sprake is van een handelshoeveelheid waaruit betrokkenen inkomsten hebben verworven of hebben kunnen verwerven en dat betrokkenen, door daarvan geen melding te maken, niet hebben voldaan aan de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenplicht. De rechtbank was echter tevens van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze schending van de inlichtingenplicht zich heeft uitgestrekt over een periode van ruim twee jaar. In dit opzicht achtte de rechtbank het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de periode waarover appellant de bijstand van betrokkenen heeft ingetrokken en teruggevorderd en richt zich met name tegen de door appellant gekozen ingangsdatum van 7 november 2002.

4.2. Appellant heeft in hoofdzaak aangevoerd dat het bewijsrisico met betrekking tot de aanvang van de activiteiten bij betrokkenen berust en dat het ontbreken van enige boekhouding of administratie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, geheel voor hun rekening dient te blijven. Met dit betoog miskent appellant evenwel dat het hier gaat om intrekking en terugvordering en dus - anders dan bij de beslissing op een aanvraag om bijstand - om een belastend besluit. Dit betekent naar vaste rechtspraak dat de bewijslast op appellant rust, ook voor zover het gaat om het aannemelijk maken van zijn stelling dat betrokkenen zich vanaf 7 november 2002 met het drogen van hennep hebben beziggehouden en vanaf die datum de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 april 2006, LJN AW2398).

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. De door appellant aangevoerde stijging van het energieverbruik rond november 2002 is daartoe niet voldoende. Daarbij is van belang dat alleen is gebleken dat in de woning van betrokkenen hennep is gedroogd, maar niet dat deze daar ook is gekweekt. Lampen, groeibakken, pompen of andere benodigdheden voor de hennepkwekerij, die veel energie vragen, zijn niet aangetroffen. Uit door hen overgelegde gegevens, onder meer van de buren, komt naar voren dat het gestegen energieverbruik niet sterk afwijkend is van dat van de omwonenden. De in hoger beroep alsnog overgelegde verklaringen van [A.T.] en [B.T.] leiden niet tot een ander oordeel. Deze verklaringen komen erop neer dat de hennep in de woning van [A.T.] en [B.T.] is gekweekt, dat dit al twee keer eerder was gebeurd en dat betrokkenen ook bij het drogen van de eerste oogst zijn ingeschakeld. De verklaringen bieden echter - wat er verder van zij - onvoldoende grondslag voor de vaststelling dat de activiteiten van betrokkenen zich over een zo lange periode hebben uitgestrekt als appellant bij zijn besluitvorming heeft aangenomen.

4.4. De Raad is derhalve van oordeel dat het besluit van 5 oktober 2005 van appellant op onvoldoende feitelijke grondslag berust en door de rechtbank terecht is vernietigd. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.5. De Raad stelt vervolgens vast dat de rechtbank appellant niet heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en evenmin het primaire besluit van 2 mei 2005 heeft herroepen. Nu het primaire besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond is gebaseerd en niet aannemelijk is dat dat gebrek kan worden hersteld, ziet de Raad aanleiding dit besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te herroepen.

4.6. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het besluit van 2 mei 2005 wordt herroepen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de gemeente Hoogezand-Sappemeer een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ