Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
04-11-2008
Zaaknummer
07-1257 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering. I.c.is de medische beoordeling vrijwel ongewijzigd ten opzichte van de vorige medische beoordeling, maar bij de huidige arbeidskundige beoordeling zijn andere functies geduid, welke een hogere resterende verdiencapiciteit opleveren, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid lager is. Nadere motivering in hoger beroep. CBBS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1257 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 februari 2007, 06/1036 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 25 april 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het primaire besluit tot intrekking van de WAJONG-uitkering van appellant per 16 februari 2006 is gehandhaafd, ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat het bestreden besluit berust op een juiste, althans toereikende, medische grondslag. Voorts heeft zij overwogen dat gelet op de jurisprudentie van de Raad alle door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aangebrachte signaleringen voorzien dienen te worden van een afzonderlijke toelichting. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de vereiste toelichting op de signaleringen door het Uwv is gegeven in de rapportages van 12 december 2005 en 1 december 2006 en dat er geen reden is om te concluderen dat de arbeidskundige beoordeling de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

1.2. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant, mr. Z.M. Alaca, advocaat, aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de WAJONG-uitkering nu wordt ingetrokken terwijl de verzekeringsarts aangeeft dat de belastbaarheid van appellant vrijwel ongewijzigd is ten opzichte van de vorige medische beoordeling, op basis waarvan appellant werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Voorts heeft hij aangevoerd dat het Uwv de op de uitdraaien Resultaat Functiebelasting verschenen signaleringen pas na het nemen van het besluit op bezwaar afdoende heeft gemotiveerd, hetgeen, gelet op de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971), de rechtbank aanleiding had moeten geven om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

1.3. Het Uwv heeft bij verweer gesteld dat de gemachtigde van appellant miskent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend een medische beoordeling betreft, doch dat de arbeidskundige beoordeling ook een rol speelt. In het geval van appellant is de medische beoordeling vrijwel ongewijzigd ten opzichte van de vorige medische beoordeling, maar bij de huidige arbeidskundige beoordeling zijn andere functies geduid, welke een hogere resterende verdiencapiciteit opleveren, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid lager is en intrekking van de WAJONG-uitkering gerechtvaardigd is. Ten aanzien van de motivering van de signaleringen heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad verklaard dat de rechtbank inderdaad conform de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 het beroep gegrond had moeten verklaren en het bestreden besluit had moeten vernietigen, maar hierbij wel de rechtsgevolgen in stand had moeten laten.

2.1. Wat betreft de grief van appellant inhoudende dat het onbegrijpelijk is dat de mate van arbeidsongeschiktheid afneemt terwijl de medische situatie van appellant niet of nauwelijks wijzigt kan de Raad zich verenigen met het standpunt van het Uwv, zoals hierboven onder punt 1.3 weergegeven. Deze grief slaagt dan ook niet.

2.2. Wat betreft de grief van appellant inzake de niet tijdige motivering door de bezwaararbeidsdeskundige van de signaleringen is de Raad van oordeel dat deze grief doel treft. In zijn uitspraken van 9 november 2004 en 12 oktober 2006 (onder andere: LJN AR4716 en AY9971) heeft de Raad zich uitgelaten over de eisen aan inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid waaraan een arbeidsgeschiktheidsbeoordeling met behulp van het CBBS dient te voldoen. Gelet op deze uitspraken is de Raad met appellant en het Uwv van oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar niet is voldaan aan deze eisen. Nu ten tijde van de aangevallen uitspraak wel aan deze eisen was voldaan had de rechtbank het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen.

3.1. Gelet op het bovenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten.

3.2. Tot slot ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) M. Lochs.

RB