Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG2082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
03-11-2008
Zaaknummer
08-1317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Recidief depressie. De arbitrair vastgestelde eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid is onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 februari 2008, 07/1126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. Kok, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.C. van Heerd, kantoorgenoot van mr. Kok.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 4 november 1999 wegens psychische klachten uitgevallen als medewerker diverse diensten. Ingaande 2 november 2000 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 19 september 2002 heeft het Uwv deze WAO-uitkering met ingang van 19 november 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 19 september 2002 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 19 december 2006, 06/1409, heeft de rechtbank Roermond het beroep tegen het besluit van 6 juli 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van heden (07/218 WAO) heeft de Raad het tegen de uitspraak van

19 december 2006 ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

2.1. Namens appellant is op 19 december 2005 het Uwv verzocht om een nieuw medisch onderzoek wegens toegenomen klachten.

2.2. In overeenstemming met de uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten is bij besluit van 15 maart 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 augustus 2005 vastgesteld op 80 tot 100%. Daarbij is (arbitrair) 1 augustus 2005 genomen als eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

2.3. Na een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts is het tegen het besluit van 15 maart 2007 gemaakte bezwaar bij besluit van 28 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Kort samengevat was de rechtbank van oordeel dat in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt dat appellant eerder dan 1 augustus 2005 toegenomen arbeidsongeschikt moet worden geacht.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij (veel) eerder dan

1 augustus 2005 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een aantal brieven van behandelaars, onder wie zijn huisarts

dr. E.M.F. Moura en zijn voormalig huisarts J.J. Hoyng, ingediend.

3.2. Desgevraagd heeft bezwaarverzekeringsarts K. Corten op de brief van 25 april 2008 van Hoyng gereageerd.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2. In zijn brief van 25 april 2008 schrijft de voormalig huisarts van appellant, Hoyng, onder meer het volgende:

“Begin april 2003 zie ik hem weer in een overspannen toestand: zonder directe aanleiding zijn er weer forse angsten, en depressie (hij ziet het niet meer zitten). Aanvullende hulp en medicatie voor rust en tegen depressie zijn onvoldoende, en na 2-3 weken is een spoedopname op de PAAZ noodzakelijk. Na zijn ontslag bij de PAAZ (eind april) en tot mijn vertrek in oktober 2003 zie ik hem nog vier maal. Hij gebruikt een slaapmiddel, en met een aangepaste dosering van medicatie tegen zijn depressie wordt hij geleidelijk rustiger, en kan hij het weer ’n beetje aan. Deze periode met angst, paniek, depressie en suïcide gedachten is geheel vergelijkbaar met voorafgaande perioden, zoals in 2000, en in heftigheid gelijk, mogelijk zelfs nog ernstiger.”.

4.3. Appellant was van 20 april 2003 tot en met 22 april 2003 opgenomen op de PAAZ van [naam PAAZ afdeling]. In hun brief van 6 mei 2003 aan huisarts Hoyng vermelden de aan dit centrum verbonden psychiaters J.H.A.M. Tuerlings en A.M. van Nispen (onder “Anamnese bij opname”) onder meer het volgende:

“Sinds 6 weken heeft patiënt klachten. Hij geniet niet meer en is bang voor alles. Hij ziet geen aanleiding voor zijn klachten. “Het komt zo opzetten”. Patiënt zou veel piekeren en slaapt alleen met een slaaptablet. Vandaag ging het helemaal mis en had hij met name last van angst en paniekaanvallen. Hij voelt bij zichzelf de neiging om zich iets aan te doen. Hij ontkent suïcidale gedachten hierbij. Patiënt zou de laatste weken 4 kg zijn afgevallen.”.

Verder vermelden de psychiaters dat mogelijk sprake was van een recidief depressie, dat appellant tegen hun advies met ontslag is gegaan en dat appellant de volgende dag contact zou opnemen met de RIAGG.

4.4. In haar brief van 14 april 2006 heeft huisarts Moura vermeld dat appellant, die in het verleden meermalen is gezien door de crisisdienst van de RIAGG en ook meermalen is opgenomen, in de perioden dat hij niet opgenomen was, is begeleid door psychiater Böhlke, welke begeleiding in 2004 is beëindigd.

4.5. Bezwaarverzekeringsarts Corten heeft in haar rapport van 8 juli 2008 gesteld dat de arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 augustus 2005 wat aan de vroege kant is, doch gehandhaafd kan worden. Daarbij heeft zij aangegeven dat de arbeidsongeschiktheidsperiode in april 2003 van relatief korte duur is geweest, waarbij appellant slechts 2 dagen opgenomen is geweest op de PAAZ. Daarbij was er geen duidelijke aanleiding voor de toename van de klachten. De wisseling van klachten kan worden gezien als horend bij het beloop van de aandoening van appellant. In december 2005 trad een echte decompensatie op, mèt aanleiding, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

5. Het geheel van de over de opname van appellant in april 2003 en de perioden daarvoor en daarna beschikbare (en hierboven weergegeven) gegevens afzonderlijk en in onderling verband overziend, acht de Raad bepaald niet uitgesloten dat appellant reeds rond de opname in april 2003 gedurende een onafgebroken periode van vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. Het in het bestreden besluit gehandhaafde standpunt van het Uwv, dat eerst in december 2005 een echte decompensatie optrad en dat de arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 augustus 2005 (en niet eerder) gehandhaafd kan blijven, is naar het oordeel van de Raad dan ook onvoldoende onderbouwd.

6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 5 komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

7. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.C.A. Wit.

RB