Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
30-10-2008
Zaaknummer
07-234 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als er nieuwe stukken aan het dossier zijn toegevoegd kan niet zonder meer op basis van de toestemming die (eerder) is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige stukken de zaak buiten (nadere) zitting afgedaan worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/234 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 december 2006, 05/2342 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft G. Tot, werkzaam bij de Bond Arbeidsongeschikten en Gehandicapten Friesland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2008. Appellant is daar met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 20 oktober 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidwet ziekgemeld met knieklachten. Later ontwikkelden zich tevens hand- en polsklachten, alsmede voetklachten.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 25 januari 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2004, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellant met ingang van 18 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, ongegrond verklaard.

1.3. Appellant heeft zich per 13 januari 2005 opnieuw ziekgemeld in verband met een polsoperatie.

1.4. Bij besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 10 februari 2005 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% bedraagt.

1.5. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 22 november 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 22 november 2005 (bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen in de beschikbare medische gegevens onvoldoende grond te zien om te oordelen dat de belastbaarheid van appellant in de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is overschat. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij appellant in de gelegenheid heeft gesteld nadere (medische) informatie in te brengen, maar deze kon, zo heeft de rechtbank begrepen, uiteindelijk niet worden verkregen. Appellant moet naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij door de rechtbank ter zitting in de gelegenheid is gesteld nadere informatie van zijn behandelend reumatoloog in het geding te brengen. Toen het hem niet lukte om deze informatie tijdig te verkrijgen, heeft appellant desgevraagd toestemming gegeven om zijn zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft appellant de gevraagde informatie alsnog ontvangen en deze per fax aan de rechtbank doen toekomen. Voorts kan appellant zich niet verenigen met de weigering van de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen nu de rechtbank bij een eerder verzoek had aangegeven dat dit wel mogelijk was. Appellant heeft herhaald dat per de datum in geding sprake was van toegenomen beperkingen ten gevolge van een medisch objectiveerbare aandoening. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de in hoger beroep overgelegde brief van 15 december 2006 van zijn behandelend reumatoloog A. Spoorenberg. Appellant is van mening dat hij de hem voorgehouden functies niet kan vervullen omdat hij daarin veelvuldig zijn handen moet gebruiken. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij noch van het Uwv noch van de gemeente enige medewerking krijgt bij zijn reïntegratie.

4. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.

4.1.1. De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 21 augustus 2006 en - met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen om, binnen zes weken, nadere medische informatie van reumatoloog Spoorenberg over te leggen. Ingevolge artikel 8:64, derde lid, van de Awb wordt na een schorsing de zaak op een nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond.

4.1.2. Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb kan de rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. Voorwaarde voor de uitoefening van die bevoegdheid is dat partijen hiervoor toestemming hebben gegeven.

4.1.3. Naar aanleiding van een brief van appellant van 20 september 2006 heeft de rechtbank de gestelde termijn van zes weken verlengd tot 3 november 2006. Bij brief van 7 november 2006 heeft de rechtbank in reactie op het verzoek van appellant in de brief van 20 september 2006 partijen bericht dat zij geen aanleiding ziet over te gaan tot het oproepen van reumatoloog Spoorenberg als getuige-deskundige ter zitting of over te gaan tot het instellen van een deskundigenonderzoek. Voorts heeft zij partijen medegedeeld dat het eerder heropende onderzoek thans is voltooid en heeft zij verzocht de rechtbank haar schriftelijk mede te delen of partijen er wel of niet mee instemmen dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan zonder dat nadere behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden.

4.1.4. Van de zijde van het Uwv is bij brief van 10 november 2006 toestemming verleend voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Omdat van appellant geen toestemming werd ontvangen heeft de rechtbank partijen bij brief van 29 november 2006 bericht dat het beroep verder behandeld zal worden op een zitting, waarover nader bericht zal volgen. Appellant heeft vervolgens bij brief van 4 december 2006 de rechtbank alsnog toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. Per fax van 18 december 2006 heeft appellant de onder punt 3 genoemde brief van 15 december 2006 van reumatoloog Spoorenberg naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft vervolgens op 20 december 2006 uitspraak gedaan.

4.1.5. De griffier van de rechtbank heeft de Raad desgevraagd meegedeeld op 18 december 2006 geen fax van appellant te hebben ontvangen. Deze mededeling is feitelijk onjuist gebleken, nu ter zitting van de Raad is gebleken dat de rechtbank het Uwv bij brief van 18 december 2006 kopieën heeft gestuurd van de fax van appellant van 18 december 2006, met de genoemde brief van 15 december 2006, waarbij de rechtbank heeft verwezen naar deze “nader aan het dossier toegevoegde gedingstukken.”.

4.1.6. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Raad staat het de rechter niet vrij om, ingeval er nieuwe stukken aan het dossier worden toegevoegd, zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige stukken de zaak buiten (nadere) zitting af te doen. Het achterwege laten van de nadere zitting is in die situatie eerst mogelijk, indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende

toestemming van kracht blijft. In het onderhavige geval heeft de rechtbank echter, nadat door appellant na de verleende toestemming nadere stukken waren ingezonden, het Uwv niet opnieuw om toestemming als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb verzocht, terwijl het Uwv een dergelijke toestemming ook anderszins niet heeft gegeven. Dat de rechtbank de nadere informatie van reumatoloog Spoorenberg niet kenbaar heeft meegewogen in haar oordeel, acht de Raad niet doorslaggevend nu de stukken wel als zodanig zijn toegevoegd aan het dossier.

4.1.7. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb tot stand is gekomen, zodat deze dient te worden vernietigd.

4.2. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.3. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij evenals de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. Ook de in hoger beroep overgelegde brief van reumatoloog Spoorenberg van 15 december 2006 geeft geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat Spoorenberg slechts stelt dat zij gezien duur en beloop van de klachten ervan uitgaat dat appellant, anamnestisch, al 1 tot 2 jaar vóór het eerste polikliniekbezoek op 25 december 2005 last had van artritisklachten van de handen. Bezwaarverzekeringsarts Miedema heeft in reactie hierop in de rapportage van 14 februari 2007 opgemerkt dat de handklachten op de datum in geding misschien te maken hadden met een milde artritis van de kleine handgewrichten, in plaats van dat sprake was van restklachten na een CTS-operatie

- waarvan de primaire verzekeringsarts is uitgegaan - maar dat dit geen invloed heeft op de FML. Volgens Miedema werden er per 10 februari 2005 adequate beperkingen toegekend voor de handproblematiek, ongeacht de origine van de klachten. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, te meer daar Spoorenberg de haar door de gemachtigde van appellant gestelde vraag over de voor appellant per datum in geding geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid, niet heeft beantwoord.

4.4. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad merkt daarbij, naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, nog op dat het benoemen van een onafhankelijke deskundige een discretionaire bevoegdheid is van de rechter, geregeld in artikel 8:47 van de Awb. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien gebruik te maken van deze bevoegdheid. De Raad is voorts niet gebleken dat de in de brief van 7 november 2006 vervatte weigering van de rechtbank een onafhankelijke deskundige te benoemen, in strijd is met een eerder standpunt van de rechtbank. Uit de gedingstukken valt op te maken dat de rechtbank appellant bij brief van 5 juli 2006 (de zogeheten kennisgeving van de zitting) er op heeft gewezen dat hij getuigen en deskundigen ter zitting kan meebrengen. Hiervan heeft appellant, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 21 augustus 2006, geen gebruik gemaakt. Dat de rechtbank vervolgens ter zitting zou hebben aangegeven dat het nog mogelijk was dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige zou benoemen, blijkt niet uit het proces-verbaal van de zitting. Wel blijkt hieruit dat de rechtbank appellant in de gelegenheid heeft gesteld om nadere medische informatie van reumatoloog Spoorenberg over te leggen. Bij brief van 20 september 2006 heeft appellant in verband met de door hem ondervonden problemen met het verkrijgen van nadere informatie van Spoorenberg de rechtbank verzocht ofwel een zitting te bepalen en Spoorenberg op te roepen als getuige-deskundige ofwel zelf een deskundige aan te wijzen. Hierop heeft de rechtbank eerst de gestelde termijn verlengd en vervolgens de onder 4.1.3 weergegeven brief van 7 november 2006 verstuurd. Bij brief van 4 december 2006 heeft appellant vervolgens toestemming verleend om de zaak zonder (nadere) zitting af te doen. De Raad ziet in deze gang van zaken geen ontoelaatbare onzorgvuldigheid of tegenstrijdigheid met een eerder door de rechtbank ingenomen standpunt.

4.5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat het Uwv met de rapportages van arbeidsdeskundige Boschma en bezwaararbeidsdeskundige Langius op voldoende wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat de belasting in de functies die aan de schatting ten grondslag liggen de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.6. Uit de overwegingen onder 4.3 tot en met 4.5 volgt dat de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte kan stand houden.

4.7. Met betrekking tot de stelling van appellant dat reïntegratie hem zowel door het Uwv als de gemeente wordt geweigerd overweegt de Raad dat in het bestreden besluit geen oordeel is vervat van het Uwv aangaande de reïntegratie van appellant. Naar het oordeel van de Raad valt de reïntegratie om die reden buiten de omvang van dit geding.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 november 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.C.A. Wit.

RB