Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2008
Datum publicatie
03-11-2008
Zaaknummer
07-1838 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit WW-uitkering. Terugvordering. Bij wijze van maatregel verlaging bijstand met 20% gedurende 1 maand. Schending inlichtingenverplichting. Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1838 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 maart 2007, 06/1374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2008. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt (aanvullende) bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Per 1 oktober 2004 is haar arbeidsovereenkomst met de gemeente Alkmaar geëindigd. Met ingang van 4 oktober 2004 is haar een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij een zogenoemde themacontrole is naar voren gekomen dat appellante niet alle inkomsten uit deze WW-uitkering aan het College heeft opgegeven, waardoor deze inkomsten niet volledig op de bijstand zijn gekort.

1.2. Bij besluit van 3 augustus 2005 heeft het College de bijstand over de periode van 1 oktober 2004 tot 1 april 2005 herzien in die zin dat de uitkering wordt verlaagd met een bedrag gelijk aan de niet-gekorte inkomsten. Tevens is de over die periode te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 510,25 van appellante teruggevorderd (besluit 1).

1.3. Bij besluit van 15 september 2005 heeft het College de bijstand van appellante ingaande 1 oktober 2005 verlaagd met 20% gedurende een maand (besluit 2).

1.4. Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het College de bijstand over de periode van 1 april 2005 tot en met 31 augustus 2005 herzien in die zin dat de uitkering wordt verlaagd met een bedrag gelijk aan de niet-gekorte inkomsten. Tevens is de over die periode te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 708,56 van appellante teruggevorderd (besluit 3).

1.5. Bij het besluit van 21 april 2006 heeft het College, voor zover nog van belang, het bezwaar van appellante tegen besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 455,27, en haar bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 april 2006 ingestelde beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting dienen bijstandsgerechtigden in de gemeente Alkmaar wijzigingen in inkomsten en andere van belang zijnde omstandigheden te melden op een zogenoemd mutatieformulier WWB. Vaststaat dat appellante op of omstreeks 18 oktober 2004 heeft aangegeven dat er per 1 oktober 2004 een wijziging was opgetreden in haar inkomsten uit de (beëindigde) dienstbetrekking en dat zij bij mutatieformulier gedateerd 2 november 2004 aan het College een kopie heeft gezonden van het besluit waarbij haar een WW-uitkering is toegekend. Niet is echter gebleken dat zij heeft opgegeven dat zij over het tijdvak van 4 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004 een bedrag van € 515,60 aan WW-uitkering heeft ontvangen.

4.2. Bij mutatieformulier gedateerd 15 december 2004 heeft appellante haar WW-uitkering over het tijdvak van 1 november 2004 tot en met 28 november 2004 ten bedrage van € 386,70 opgegeven. Bij mutatieformulier gedateerd 14 januari 2005 heeft zij vermeld dat zij over de periode van 29 november 2004 tot en met 26 december 2004 een bedrag van € 453,40 aan WW-uitkering had ontvangen. Hierop volgende wijzigingen in het bedrag van de WW-uitkering heeft zij, naar moet worden aangenomen, echter niet meer doorgegeven. Mutatieformulieren die daarop betrekking hebben zijn door het College niet in het dossier van appellante aangetroffen en appellante heeft geen begin van bewijs geleverd voor haar stelling dat zij wel degelijk nog een of meer wijzigingen heeft doorgegeven. Betrof het aanvankelijk wijzigingen van hooguit enkele euro's, in het tijdvak van 21 maart 2005 tot en met 17 april 2005 was sprake van een stijging tot € 518,53 en in de tijdvakken van 18 april 2005 tot en met 4 september 2005 ging het telkens om een bedrag van € 519,80.

4.3. Gelet op het vorenstaande heeft het College zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante in de hier in geding zijnde periodes de voor haar uit artikel 17, eerste lid, van de WWB voortvloeiende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het daarbij niet slechts ging om te verwaarlozen verschillen. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de aan appellante verleende bijstand te herzien. Anders dan appellante, acht de Raad de in dit verband door het College gemaakte berekeningen voldoende inzichtelijk. Deze berekeningen zijn ook in overeenstemming met de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) opgestelde uitkeringsspecificaties. Nu appellante niet concreet heeft aangegeven in welk opzicht de berekeningen niet deugdelijk zouden zijn, dient van de juistheid ervan te worden uitgegaan. In hetgeen door appellante is aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het College bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van zijn bevoegdheid tot herziening gebruik te maken.

4.4. In het verlengde hiervan was het College bevoegd de aan appellante te veel betaalde bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen. Daarbij heeft het College gehandeld in overeenstemming met de geldende Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand, die voor zover hier van belang inhouden dat van terugvordering slechts wordt afgezien indien het gaat om minder dan € 50,-- indien bijstand is betaald na zes maanden na ontvangst van een signaal waaruit afgeleid had moeten worden dat te veel wordt betaald of indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, voor zover het terugvordering betreft die het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Voor zover appellante wil betogen dat het College is tekortgeschoten in het uitoefenen van een deugdelijke controle, overweegt de Raad dat het op de weg van appellante lag om de hier van belang zijnde wijzigingen uit eigen beweging door middel van de daartoe bestemde mutatieformulieren door te geven en dat zij er niet op mocht vertrouwen dat deze wijzigingen wel aan het licht zouden komen bij het door het College in het vooruitzicht gestelde periodieke onderzoek. Van doorbetaling van bijstand gedurende meer dan zes maanden in weerwil van een ontvangen signaal is in de situatie van appellante geen sprake. In hetgeen door appellante is aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het beleid of van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid af te wijken.

4.5. Wegens de schending van de inlichtingenplicht is aan appellante de maatregel opgelegd van verlaging met 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Het benadelingsbedrag in aanmerking genomen, is in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met het eerste lid, van de Afstemmingsverordening van de gemeente Alkmaar voorzien in verlaging met 10% gedurende een maand. Dit percentage is met toepassing van artikel 11, tweede lid, van die verordening verdubbeld wegens recidive, nu aan appellante bij besluit van 26 oktober 2004 reeds een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht was opgelegd. De opgelegde verlaging is derhalve met de verordening in overeenstemming. Niet is gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Voorts is niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van appellante aanleiding hadden moeten geven om de verlaging te matigen.

4.6. Het hoger beroep treft dus geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

KR