Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
30-10-2008
Zaaknummer
07-933 WAZ + 07-2395 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering te herzien, aangezien geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Medische grondslag voldoende. Bij nader besluit arbeidskundige grondslag eveneens voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/933 WAZ en 07/2395 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2007, 05/7213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 1 maart 2007 toegezonden. Nadien heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog een nadere toelichting bij zijn hoger beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2008. Appellant is ter zitting verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is in verband met enkelklachten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ) toegekend die laatstelijk, met ingang van 14 oktober 2002, werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Appellant heeft aan het Uwv gemeld dat hij met ingang van 24 oktober 2004 toegenomen arbeidsongeschikt is in verband met rugklachten.

1.3. Bij besluit van 7 april 2005 heeft het Uwv besloten de uitkering ongewijzigd voort te zetten omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek was gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid nog uitkwam in de klasse van 55 tot 65%.

1.4. Bij besluit van 14 september 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende aanleiding was de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant voor onjuist te houden. Zij heeft het beroep niettemin gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege een niet-draagkrachtige motivering wat betreft de arbeidskundige kant daarvan.

3. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2007 appellants bezwaren wederom ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een nader rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen van 23 februari 2007.

4. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant, kort weergegeven, herhaald dat hij in de periode gelegen tussen 24 oktober 2004 en 20 juli 2005 niet in staat is geweest de functies te vervullen die bij de onderhavige beoordeling in aanmerking zijn genomen vanwege een hernia in zijn rug. Na deze periode zijn de klachten grotendeels verdwenen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Herziening van een WAZ- uitkering die wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45% of meer, zoals door appellant is verzocht, vindt op grond van artikel 14 van de WAZ slechts plaats, als de arbeidsongeschiktheid onafgebroken gedurende een periode van vier weken zodanig is toegenomen, dat de betrokkene in een hogere klasse dient te worden ingedeeld.

5.2. Het Uwv is van opvatting dat de WAZ-uitkering van appellant (als gevolg van zijn melding van toegenomen klachten per 24 oktober 2004) niet kon worden herzien. Grondslag voor deze opvatting is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

7 januari 2005, waarin de verzekeringsarts Smol arbeidsbeperkingen voor appellant heeft opgenomen. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting medegedeeld dat deze FML voor appellant van toepassing is op 21 november 2004, vier weken nadat hij had gemeld dat hij toegenomen klachten had. Het Uwv is van mening dat appellant met de in de FML opgenomen beperkingen op deze datum nog een aantal functies kon verrichten, waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen, dat er geen reden was voor een wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met die in de FML opgenomen beperkingen. Gelet op het hoger beroep van appellant, zal de Raad allereerst beoordelen of de rechtbank terecht tot dit oordeel is gekomen.

5.3. De Raad neemt daartoe in aanmerking dat de verzekeringsarts Smol een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de fysieke klachten van appellant, zoals deze door appellant naar voren zijn gebracht tijdens haar spreekuur op 13 december 2004. Zij heeft op grond van lichamelijke onderzoek in de tot dan toe geldende FML extra beperkingen opgenomen voor het verrichten van zware rug- en enkelbelastende werkzaamheden. Dit heeft echter niet geleid tot indeling in een hogere klasse. Nadat appellant op 13 april 2005 had gemeld dat zijn rugklachten na 13 december 2004 (verder) waren toegenomen, is hij op 7 juni 2005 een tweede keer door deze arts lichamelijk onderzocht. Zij heeft, mede gelet op hetgeen appellant toen naar voren bracht over het verloop van zijn rugklachten, per 1 maart 2005 extra beperkingen vanwege zijn rugklachten in de FML opgenomen. Ook dit heeft niet geleid tot indeling in een hogere klasse. De bezwaarverzekeringsarts De Gruil heeft daarna op grond van dossierstudie gemotiveerd aangegeven waarom zij niet de overtuiging heeft gekregen dat appellants mogelijkheden, zowel kijkend naar de datum van 21 november 2004, als naar de datum van 1 maart 2005, onjuist waren ingeschat.

5.4. De Raad stelt vast dat appellant medio december 2004 en begin juni 2005 lichamelijk is onderzocht, waarbij de toename van de klachten vanaf 24 oktober 2004 heeft geleid tot het aanvaarden van extra beperkingen. Rekening houdend met de informatie van de behandelend neuroloog uit juli 2005, die naderhand tijdens de beroepsfase nog ter beschikking is gekomen, en met de bevestiging van appellant ter zitting, dat hij in november 2004 tot aanmerkelijk meer in staat was dan in de eerste maanden van 2005, is er ook voor de Raad onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat appellants fysieke belastbaarheid, zoals ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, waarbij is uitgegaan van de situatie op 21 november 2004, onjuist zou zijn vastgesteld. Verdere medische informatie die een andere kant uitwijst is niet voorhanden.

5.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank de medische grondslag van de weigering van het Uwv om de WAZ-uitkering van appellant te herzien terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden bevestigd.

5.6. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2007 de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 april 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt het nadere rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen van 23 februari 2007 ten grondslag. Nu met het besluit van 1 maart 2007 niet aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, zal de Raad dit besluit in deze procedure betrekken en beoordelen.

5.7. De Raad is van oordeel dat met het nadere rapport voldoende inzicht is geboden in de geschiktheid van de in aanmerking genomen functies. Dit betekent, uitgaande van de juistheid van de FML, dat appellant ongewijzigd ingedeeld diende te blijven in de klasse 55 tot 65% en dat zijn verzoek om herziening van de uitkering terecht is afgewezen. Het beroep tegen het besluit van 1 maart 2007 is daarmee ongegrond.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Dierdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) C. Dierdorp.

TM