Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
07-1398 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Niet meer beperkt dan aangenomen bezien de voorhanden medische informatie. Normaalwaarde. Het Uwv was niet gehouden, waar in een aan appellant voorgehouden functie een bijzondere belasting is vermeld, terwijl appellant op het betreffende aspect niet beperkt wordt geacht, nader te motiveren waarom de betreffende functie voor appellant geschikt is bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1398 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 januari 2007, 06/2656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft F.A. Burggraaf, werkzaam bij FNV Bouw te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 27 april 2007, met bijlage, en van een bezwaararbeidsdeskundige van 3 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2008. Appellant is verschenen bij zijn opvolgend gemachtigde mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, advocaat te Woerden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant viel op 22 januari 2002 uit voor zijn werk als opperman-metselaar ten gevolge van een bedrijfsongeval waarbij hij een schedelbasisfractuur opliep. Na het einde van de wachttijd werd hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar en mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 24 november 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 18 januari 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij onder meer verwezen naar een rapport van neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen van 13 april 2004. Na nader onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, waarvan verslag is gedaan in rapporten van 12 mei 2006 respectievelijk 18 mei 2006, heeft het Uwv bij besluit van 2 juni 2006 het bezwaar gegrond verklaard en beslist dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant met ingang van 18 januari 2006 blijft gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met ingang van 19 juli 2006 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - zich verenigend met de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 2 juni 2006, hierna: het bestreden besluit - het beroep daartegen ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep is door appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat hij als gevolg van evenwichtsstoornissen, doofheid (rechts), reukverlies en vermoeidheid meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de hem voorgehouden vijf functies niet geschikt zijn, onder meer vanwege de daarin voorkomende bijzondere belastingen, terwijl bij verschillende functies met een ‘M’ gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant, zo onder meer op de aspecten ‘tillen’ en ‘dragen’ in de functie ‘machinebediende voedingsmiddelenindustrie’, onvoldoende zijn toegelicht.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. In hoger beroep is door appellant geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. Voor de stelling van appellant in hoger beroep dat hij op verschillende aspecten meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen ziet de Raad in de voorhanden medische informatie geen of onvoldoende objectief medische grondslag, terwijl deze stelling naar het oordeel van de Raad voorts genoegzaam is weerlegd in het in rubriek I genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 27 april 2007. De Raad kan en wil niet afdoen aan de ernst van het appellant overkomen ongeval, maar kan aan appellants subjectieve beleving van de gevolgen ervan voor de toepassing van de WAO, waarbij een objectief medische vaststelling van beperkingen centraal staat, niet die waarde hechten die appellant er aan hecht. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien om een medische deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek.

6.2. Ten aanzien van de grieven van appellant inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

6.3. De grief van appellant dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant geschikt is voor functies, waar op de formulieren ‘resultaat functiebeoordeling’ bij diverse aspecten zogenoemde bijzondere belastingen zijn vermeld, slaagt niet. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN: BC3237), volgens welke, voor zover hier van belang, voldoende vaststaat dat in gevallen waarin iemand op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het Claimbeoordelings- en borgingssyteem (CBBS) toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde. Het Uwv was mitsdien niet gehouden, waar in een aan appellant voorgehouden functie een bijzondere belasting is vermeld, terwijl appellant op het betreffende aspect niet beperkt wordt geacht, nader te motiveren waarom de betreffende functie voor appellant geschikt is bevonden.

6.4. Voor zover in een functie bij een aspect een zogenaamde ‘M’-signalering is vermeld, die kan duiden op mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant, is de Raad van oordeel dat deze signaleringen van een genoegzame toelichting zijn voorzien in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 mei 2006. Zo hierover anders geoordeeld zou moeten worden ten aanzien van de signaleringen bij de aspecten ‘tillen’ en ‘dragen’ in de functie van ‘machinebediende voedingsmiddelenindustrie’ wijst de Raad erop, dat ook bij het vervallen van deze functie er voldoende andere aan appellant te duiden functies resteren en het vervallen van deze functie geen wijziging brengt in de voor appellant geldende arbeidsongeschiktheidsklasse.

6.5. In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

6.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6.7. Daarom moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM