Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
30-10-2008
Zaaknummer
07-6213 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO-uitkering. Oordeel van onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel volgen. Geen aanleiding om een (tweede) medisch deskundige te benoemen voor nader onderzoek. Juistheid vastgestelde medische beperkingen en geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6213 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2007, 05/879 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A. Goossens, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld en nadere medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

Op 28 augustus 2008 is namens appellante een brief, met bijlage, aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2008. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante viel in 2003 uit voor haar werk in de thuiszorg als gevolg van borstkanker. Zij onderging een borstsparende operatie en vervolgens radio- en hormoontherapie.

2. Bij besluit van 18 november 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 2 november 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, overwogen dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van het Uwv de beperkingen van appellante juist hebben vastgesteld en dat de door de rechtbank ingeschakelde medisch deskundige, C.C. Wárlám-Rodenhuis (radiotherapeut-oncoloog), bij appellante op de in geding zijnde datum geen beperkingen heeft vastgesteld.

5. In hoger beroep is door appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat zij als gevolg van chronische vermoeidheid, pijnklachten en psychische klachten niet in staat is om 32 uur per week te werken. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar informatie van haar behandelend chirurg-oncoloog dr. H.J.T. Rutten en van het Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid van het UMC St. Radboud.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

6.2. De rechtbank heeft Wárlám-Rodenhuis als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft op 28 juli 2006, kort samengevat, gerapporteerd dat zij zich kon verenigen met de door de verzekeringsarts van het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen van appellante en met de door de arbeidsdeskundige van het Uwv aan appellante voorgehouden functies. Zij acht appellante in staat om 32 uur per week te werken.

6.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de deskundige appellante heeft onderzocht, kennis heeft genomen van het dossier en de informatie over appellante uit de behandelend sector heeft meegewogen.

6.4. Het oordeel van de deskundige bevestigt de bevindingen van het Uwv. In dit verband heeft de Raad er niet aan voorbij gezien dat ook de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv blijkens haar rapporten van 3 maart 2005,

2 december 2005, 9 januari 2007 en 18 december 2007 kennis heeft genomen van de informatie van de appellante behandelend artsen en daarop gemotiveerd heeft gereageerd.

6.5. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad naar aanleiding van appellantes verzoek daartoe ter zitting geen aanleiding gezien om een (tweede) medisch deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

6.6. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen moet appellante in staat worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige van het Uwv voorgehouden functies te verrichten.

6.7. Hetgeen overigens door appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

RB