Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
27-10-2008
Zaaknummer
06-3313 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Whiplash. Weigering WAZ-uitkering. Medische beoordeling: zorgvuldig onderzoek. Psychische klachten. Arbeidskundige grondslag: Onvoldoende toelichting bij "tillen" en “zitten afwisselend met lopen en staan”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3313 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2006, 05/5769 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008. Namens appellant is mr. Kuit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die eigenaar was van een afhaal- en bezorgservice van etenswaren, heeft op 12 juli 2004 een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Appellant heeft aangegeven dat hij vanwege ondraaglijke pijn, krachtverlies, hoofdpijn en slapeloosheid, als gevolg van een verkeersongeval op 1 april 2003, arbeidsongeschikt is.

2.1. Op 26 januari 2005 is appellant onderzocht door de arts G.T. Tan. Deze arts heeft kennis genomen van de door appellant overgelegde medische informatie, waaronder het rapport van neuroloog L.J.M.M. Mulder van 26 augustus 2003 en neuroloog J.W. Stenvers van 15 oktober 2004, en komt tot de conclusie dat appellant als gevolg van een postwhiplash syndroom beperkingen heeft ten aanzien van zwaar fysiek belastende arbeid. De beperkingen zijn omschreven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voor appellant een aantal functies geselecteerd, die volgens de arbeidsdeskundige in overeenstemming zijn met zijn beperkingen en waarmee appellant in vergelijking tot zijn maatmaninkomen een zodanig inkomen kan verwerven dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

2.2. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2005 geweigerd aan appellant een WAZ-uitkering toe te kennen.

2.3. Op 20 september 2005 heeft arbeidsdeskundige T. de Waal het CBBS nogmaals geraadpleegd en een nadere motivering gegeven ten aanzien van de geselecteerde functies. Na dossierstudie, een hoorzitting en heroverweging is bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink in zijn rapport van 27 oktober 2005 tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten zijn om van het primaire medische oordeel af te wijken. Bij besluit van 28 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en herhaalt zijn standpunt dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest omdat niet de juiste waarde aan de informatie van neuroloog Stenvers is gehecht en ten onrechte geen nader onderzoek is gedaan door een onafhankelijk neuroloog en/of psycholoog. De beperkingen in de FML zijn volgens appellant onjuist weergegeven en hij acht zich niet in staat om de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapportage van verzekeringsarts mr. G.J. Kruithof van 1 december 2006, een reactie op dat rapport van medisch adviseur A. Krul-van Turenhout van 8 december 2006 en een rapportage van psycholoog drs. C.P.M. Willemse van 20 maart 2007, overgelegd. Tevens heeft appellant op 14 juli 2008 een rapportage van neuroloog Stenvers van 20 oktober 2006 overgelegd en tevens enkele rapportages die ten grondslag liggen aan een indicatiebesluit WSW van het CWI.

5.1. Aan de Raad ligt de vraag voor of hij de rechtbank volgt in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Ten aanzien van de datum in geding stelt de Raad vast dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vastgesteld op 1 april 2003 en dat, zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad heeft bevestigd, de datum in geding vastgesteld moet worden op 30 maart 2004.

5.3.1. Ten aanzien van de medische beoordeling is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat er geen aanwijzingen bestaan dat de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist zou zijn. Neuroloog Stenvers heeft in zijn rapport van 15 oktober 2004 aangegeven dat er sprake is van een postwhiplash syndroom met pijn en drukpijn, maar geen cervicale bewegingsbeperkingen en geen cognitieve functiestoornissen. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met deze rapportage door in de FML beperkingen aan te nemen ten aanzien van zwaar fysiek belastende arbeid en appellant ongeschikt te achten voor zijn laatstelijk verrichte arbeid met een omvang van 65 uur per week. De in hoger beroep overgelegde medische rapportages kunnen naar het oordeel van de Raad niet leiden tot een ander oordeel. De Raad verenigt zich met het oordeel over die rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Weegink in diens rapport van 15 juli 2008.

5.3.2. Ten aanzien van de psychische klachten van appellant merkt de Raad op dat de door appellant overgelegde gegevens onvoldoende aanleiding geven om te oordelen dat de verzekeringsarts ten onrechte geen beperkingen heeft opgenomen in de FML in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. De Raad verwijst naar de rapportage van de verzekeringsarts die tijdens het onderzoek op 26 januari 2005 geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek heeft gevonden en de rapportage van neuroloog Stenvers die in 2004 geen aanleiding heeft gezien voor een aanvullende expertise. Ten aanzien van de brief van klinisch psycholoog Willemse verwijst de Raad naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Weegink van 15 april 2008.

5.3.3. Voorts is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Weegink in zijn rapportage van 15 juli 2008 gemotiveerd heeft aangegeven dat het indicatiebesluit WSW van het CWI en de daaraan voorafgaande rapportages geen aanleiding geven om van het eerder ingenomen standpunt af te wijken. De Raad merkt daarnaast op dat deze rapportages meer dan twee jaar na de datum in geding zijn opgesteld.

5.4.1. Vervolgens is de vraag aan de orde of het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

5.4.2. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 en AY9980) inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004

(LJN: AR4717 en volgende) aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert. Daarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

5.4.3. Arbeidsdeskundige De Waal heeft naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 de nieuwe release van 28 april 2005 van het CBBS geraadpleegd en in zijn rapport van 20 september 2005 een nadere motivering gegeven ten aanzien van de signaleringen in de Resultaat Functiebeoordeling (hierna: RF). De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv te verzoeken om met inachtneming van de in 5.4.2. genoemde uitspraken gemotiveerd aan te geven - per onderdeel - of de geselecteerde functies de belastbaarheid niet overschrijden. Bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft in zijn rapport van 6 juni 2008 een overzicht gegeven van de voorkomende signaleringen per functie, heeft deze voorzien van een toelichting en heeft geconcludeerd dat één van de geduide functies (sbc-code 111180) niet geschikt is. De functies kelner, serveerster (sbc-code 372030), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), lederbewerker (sbc-code 272070) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) resteren als grondslag van de schatting. Bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft in zijn rapport van 4 juni 2008 geen aanleiding gezien om de FML aan te passen in verband met eventuele verborgen beperkingen.

5.4.4. De Raad stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 8 juni 2008 de tweede functie van sbc-code 267050 (functienummer 3698-9997-003) niet afzonderlijk heeft toegelicht. Daarin is bij onderdeel 4.7 een bijzondere belasting vermeld, namelijk: bij montage, beide handen. Uit de functieomschrijving blijkt dat de functie uit 95% montagewerkzaamheden bestaat.

5.4.5. Appellant kan volgens de FML, onderdeel 4.14, ongeveer 5 kg tillen of dragen met een frequentie van ongeveer 5 keer per uur. Bij de functie kelner (sbc-code 372030) is in de RF bij de onderdelen 4.14, 4.15 en 4.16 aangegeven: “Dagelijks tijdens meer dan 4 werkuren, maximaal 45 maal per uur: tijdens 8 werkuren 15 maal ongeveer 5 kg achtereen en tijdens 8 werkuren 30 maal ongeveer 2 kg achtereen. dragen”. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij het gemarkeerde onderdeel 4.15 als toelichting gegeven dat appellant 600 maal per dag ruim 1 kg (tot 5 kg) kan tillen en dat er geen sprake is van een overschrijding. Op het gemarkeerde onderdeel 7.4 dragen is geen toelichting gegeven. De Raad is van oordeel dat niet voldoende is toegelicht hoe de frequentie bij onderdeel 4.14 zich verhoudt met de beperking gesteld in onderdeel 4.14 (ongeveer 5 keer per uur 5 kg). Dit geldt ook voor de functie lederbewerker (sbc-code 272070).

5.4.6. Tot slot merkt de Raad op dat in de FML op de onderdelen 5.9 en 5.10 een beperking is opgenomen, met de toelichting “zitten afwisselend met lopen en staan”. Deze onderdelen worden in het overzicht van de bezwaararbeidsdeskundige bij alle functies toegelicht met de woorden ‘wordt aan voldaan’. De Raad acht deze globale toelichting niet toereikend en is van oordeel dat niet op voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze wordt weergegeven dat de functies voldoen aan de gestelde voorwaarde. Dit geldt in het bijzonder voor de functie medewerkster gordijnen (sbc-code 272043, functienummer 2271-0037-002) waarin 90% van het werk zittend wordt verricht met bediening van een voetpedaal. In de FML is appellant op onderdeel 4.7 (schroefbewegingen met hand en arm) normaal belastbaar geacht, echter met de toelichting ‘niet de hele dag’. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functie productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) alsnog ongeschikt geacht voor appellant omdat in deze functie de gehele dag schroefbewegingen met beide handen voorkomen. De Raad is er dan ook niet van overtuigd dat deze functie geschikt is. In elk geval ontbreekt een gemotiveerde toelichting op dit punt.

5.5. Hetgeen in 5.4.4 t/m 5.4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand kan houden. Dit betekent dat zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM