Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
07-1168 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Het College mocht betrokkene aan zijn eigen verklaring houden en daaraan de conclusie verbinden dat sprake is van verzwegen inkomsten van dusdanige omvang dat op grond daarvan het recht op bijstand niet, ook niet aanvullend, kan worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/447
JB 2009/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1168 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2007, 06/717 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Koppert en mr. drs. J.M. Boegborn, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 3 november 2000 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor een alleenstaande. Bij een huisbezoek op 5 september 2005 heeft appellant tegenover medewerkers van de afdeling Controle & Opsporing van de Sociale Dienst Amsterdam een verklaring afgelegd. Hiervan is door één van de betrokken medewerkers op 9 september 2005 een rapport opgemaakt.

1.2. Op basis van dat rapport heeft het College bij besluit van 25 oktober 2005 het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2005 ingetrokken. Bij besluit van 22 december 2005 heeft het College het tegen het besluit van 25 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn inkomsten nooit heeft opgegeven aan het College en dat die inkomsten oncontroleerbaar zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De door appellant op 5 september 2005 afgelegde verklaring houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Ik ben veel op pad om bedrijfsinbraken te plegen. Vannacht ben ik bijvoorbeeld ook op pad geweest om inbraken te plegen. Ik financier met de opbrengsten uit die inbraken de kosten van mijn auto, [merknaam], en mijn coke verslaving. Mijn coke kost mij enkele duizenden euro's per dag. De inbraken leveren mij wel enkele duizenden euro's per dag op. Dat geld gaat allemaal op aan mijn verslaving. (…) Het geld dat ik steel zijn geen inkomsten, dat is geld bestemd voor mijn coke verslaving."

Deze verklaring is in concept opgenomen en na voorlezing door appellant ondertekend.

3.2. In zijn bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat hij financieel volledig afhankelijk is van zijn bijstandsuitkering en helemaal geen andere inkomsten heeft. Tijdens het huisbezoek heeft hij een indianenverhaal opgehangen over het ruige leven dat hij zogenaamd zou leiden en het geld waarover hij zogenaamd zou kunnen beschikken. Dit was zo'n bizar en absurd verhaal dat het de Sociale Dienst zonder meer duidelijk moest zijn dat het onzin was. Dit indianenverhaal is echter een eigen leven gaan leiden en, ten onrechte, door het College toch serieus genomen. Dit klemt temeer nu het College helemaal geen onderzoek heeft verricht of schriftelijke stukken heeft gezien waaruit de inkomsten blijken, aldus appellant.

3.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag in het algemeen worden uitgegaan van een door de betrokkene tegenover ambtenaren, belast met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering, afgelegde en ondertekende verklaring (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 25 september 2007, LJN BB5433). Vaststaat dat appellant heeft verklaard zoals onder 3.1 is weergegeven. Hij heeft in die verklaring volhard toen deze aan het papier werd toevertrouwd en er, na voorlezing, zonder voorbehoud zijn handtekening onder geplaatst. Niet is gesteld of gebleken dat daarbij ontoelaatbare druk op hem is uitgeoefend. Pas geruime tijd later, namelijk in bezwaar, heeft hij aanleiding gezien om van de verklaring terug te komen. De verklaring is voorts in overeenstemming met het feit dat de levensloop van appellant door criminele activiteiten wordt gekenmerkt. De stukken laten zien dat appellant zichzelf in 2000 tegenover de Sociale Dienst heeft betiteld als een draaideurdelinquent die meer in dan uit de gevangenis is, bij elkaar al zo'n 23 jaar, en die het niet kan laten het verkeerde pad op te gaan. Deze kwalificatie vindt steun in de bij het College bekende gegevens omtrent de talrijke perioden die appellant sindsdien in detentie heeft doorgebracht. Uit het rapport van 9 september 2005 komt bovendien naar voren dat appellant vanaf 24 januari 2005 inderdaad een [merknaam] [kenteken-nummer] in het kentekenregister op zijn naam had staan.

3.4. Tegenover dit geheel van onderling overeenstemmende feiten en omstandigheden kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen aan de mogelijkerwijs overdreven bedragen die door appellant zijn genoemd als dagopbrengsten van zijn criminele activiteiten en als onkosten verbonden aan zijn verslaving aan cocaïne. Die overdrijving wat daarvan verder zij doet onvoldoende af aan de kern van de verklaring van appellant. Deze mocht door het College redelijkerwijs aldus worden opgevat, dat appellant er een gewoonte van maakt om door het plegen van misdrijven in zijn financiële behoeften te voorzien. Of aan die financiële behoeften werkelijk (mede) een verslaving aan cocaïne ten grondslag ligt, kan daarbij in het midden blijven.

3.5. De grief van appellant dat het College ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden en geen nader onderzoek heeft ingesteld naar zijn inkomenspositie, treft geen doel. Het College mocht appellant immers aan zijn eigen verklaring houden en daaraan de conclusie verbinden dat sprake is van verzwegen inkomsten van dusdanige omvang dat op grond daarvan het recht op bijstand niet ook niet aanvullend kan worden vastgesteld. Hetgeen appellant in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, komt neer op een ontkenning van de juistheid van zijn verklaring op geen andere grond dan dat deze manifest onbetrouwbaar zou zijn. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, stond buiten redelijke twijfel dat die bezwaargrond geen stand kon houden en was er ook overigens geen aanleiding om te veronderstellen dat behandeling van het bezwaar ter hoorzitting nog relevante nieuwe gezichtspunten zou kunnen opleveren. Het College heeft dan ook niet ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.6. Het vorenstaande brengt met zich dat het College zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kon het recht op bijstand vanaf 1 september 2005 niet langer worden vastgesteld. Het College was ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand op die grond met ingang van 1 september 2005 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

3.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

KR