Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2008
Datum publicatie
23-10-2008
Zaaknummer
08-1432 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep. Appellant wordt ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt geacht. Het Uwv komt hiermee volledig tegemoet aan het bezwaar. Geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1432 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 januari 2008, 06/1590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. J.G.C. van Schaik, juridisch adviseur van de Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 november 2005 heeft het Uwv appellantes uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 22 januari 2006 ingetrokken omdat appellante niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante onjuist heeft vastgesteld.

4. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift gesteld dat er ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2005 is genomen en dat daarbij volledig aan dat bezwaar is tegemoet gekomen. Bij het nieuwe besluit op bezwaar, gedateerd 23 april 2008, heeft het Uwv besloten dat appellante per 22 januari 2006 ongewijzigd recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat appellante, gelet op dit nieuwe besluit op bezwaar, geen belang meer heeft bij voortzetting van het hoger beroep.

5. Appellante heeft in reactie op het verweerschrift aangegeven dat zij wel degelijk nog belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep omdat dit hoger beroep zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit van 3 augustus 2006. De omstandigheid dat zij, gelet op het besluit van 23 april 2008, op arbeidskundige gronden alsnog per 22 januari 2006 ongewijzigd recht heeft op een volledige WAO-uitkering, doet daaraan volgens haar niet af.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Met het nieuwe besluit op bezwaar van 23 april 2008 is geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellante. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, wordt het beroep niet geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 april 2008.

6.2. Voorts is de Raad van oordeel dat, nu appellante door het Uwv per 22 januari 2006 ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en haar uitkering per die datum ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, appellante geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep over de aangevallen uitspraak. Hij wijst er daartoe op dat pas sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Een oordeel van de Raad over de in hoger beroep aangevoerde gronden kan evenwel voor appellante geen feitelijke betekenis hebben per de in geding zijnde datum van 22 januari 2006, nu zij per die datum wederom een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ontvangt.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.R. van der Vos.

RB