Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG1040

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
07-847 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegens bezuinigingsmaatregelen geen voortzetting dienstverband (na verlenging). Geen procesbelang. Op eigen verzoek ontslagen wegens aanvaarden van andere functie. Had het college betrokkene een vaste aanstelling behoren te verlenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 322 met annotatie van J.G.F.M. Hoffmans
TAR 2009/58
ABkort 2008/459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/847 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 januari 2007, 06/2104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck (hierna: college)

Datum uitspraak: 9 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [naam secretaris], secretaris van de gemeente Cranendonck.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 18 juli 2003 heeft het college appellante met toepassing van artikel 2:4 en artikel 2:4:1, eerste lid, onder c, aanhef en onder ii, van de Collectieve Arbeids-voorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 11 augustus 2003 aangesteld als [functie] onderwijs van de afdeling Onderwijs, Communicatie, Juridische Zaken en Welzijn van de gemeente Cranendonck in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor één jaar.

1.2. Bij brief van 20 juli 2004 heeft het college appellante medegedeeld dat het in verband met noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen voornemens was het dienstverband met haar na de proefperiode niet langer voort te zetten dan tot 1 mei 2005. Het voornemen het dienstverband niet verder te verlengen houdt geen enkel verband met de wijze van functioneren van appellante, aldus het college.

1.3. Nadat appellante over dit voornemen was gehoord, heeft het college haar bij besluit van 9 augustus 2004 bericht dat haar dienstverband wordt verlengd tot 1 mei 2005 en daarna niet wordt voortgezet. Bij het bestreden besluit van 15 april 2005 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 augustus 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante geen procesbelang meer heeft omdat zij met ingang van 31 december 2004 op eigen verzoek uit de gemeentedienst is ontslagen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1.1. Appellante heeft om het ontslag als vermeld onder 1.3 verzocht omdat zij met ingang van januari 2005 een functie bij een andere gemeente heeft aanvaard. Tot het solliciteren naar deze functie zag zij zich, naar zij heeft gesteld, gedwongen wegens het door het college aangekondigde einde van haar dienstverband bij de gemeente Cranendonck. Zij geeft er in geval van herroeping van het primaire besluit van 9 augustus 2004 de voorkeur aan om in haar functie bij deze laatste gemeente terug te keren. In haar huidige functie heeft zij een lagere bezoldiging en heeft zij te maken met hogere reiskosten. Zou terugkeer niet mogelijk zijn dan wil zij het college aansprakelijk stellen voor de door haar geleden schade.

3.1.2. Gezien deze stellingen van appellante kan er naar het oordeel van de Raad niet van worden uitgegaan dat zij geen belang meer had bij een inhoudelijke beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004. Daarbij wijst de Raad er op dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 9 december 2004, LJN AR7791) in een geval als dit het enkele feit dat door de betrokkene wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat tengevolge van het door hem of haar bestreden besluit schade is geleden die dient te worden vergoed, voldoende grond vormt om nog een belang van betrokkene bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil en een daaruit mogelijk voortvloeiende herroeping/vernietiging van dat besluit, aanwezig te achten. De omstandigheden van dit geval bieden geen grond hierover anders te oordelen. Het hoger beroep slaagt dus en het bestreden besluit moet, evenals de aangevallen uitspraak, worden vernietigd.

3.2.1. Op verzoek van beide partijen zal de Raad zelf in de zaak voorzien en overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit van 9 augustus 2004.

De Raad beschikt over voldoende gegevens om dit te kunnen doen.

3.2.2. De Raad stelt hierbij voorop dat het dienstverband van appellante per 11 augustus 2004 van rechtswege zou eindigen. Aansluitend is een tijdelijk dienstverband tot 1 mei 2005 verleend. In dit geding gaat het om de vraag of het college appellante een vaste aanstelling had behoren te verlenen. Nu zij (gedurende een jaar) op proef was aangesteld, kon en mocht zij er in beginsel van uitgaan dat de wijze waarop zij haar functie vervulde door het college aan een beoordeling zou worden onderworpen en dat haar bij een gunstige beoordeling een vaste aanstelling of, als nog enige twijfel zou resteren, weer een proefaanstelling zou worden verleend. Dit neemt niet weg dat van een dergelijke (ook gebruikelijke) gang van zaken kan worden afgezien als zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet. In lijn met zijn uitspraak van 10 maart 1988, LJN AK3119 en TAR 1988, 105, is de Raad van oordeel dat een zodanige omstandigheid zou kunnen worden gevormd door de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen.

3.2.3. In dit verband is van belang dat de raad van de gemeente Cranendonck op 6 juli 2004 heeft besloten voor

€ 1.500.000,- te bezuinigen op personeel en organisatie en een vacaturestop af te kondigen. Appellante heeft het noodzakelijke karakter van deze bezuinigingen niet voldoende gemotiveerd betwist. De Raad acht voldoende aannemelijk dat de te treffen bezuinigingsmaatregelen een vast dienstverband met appellante in de weg stonden. Het college is voorts

- terecht - in zoverre met zorgvuldigheid met de belangen van appellante omgegaan dat haar aanstelling vanaf 11 augustus 2004 tot 1 mei 2005 is verlengd. Voorts zijn haar faciliteiten geboden bij het zoeken van een andere baan. De stelling van appellante dat haar een vaste aanstelling had moeten worden verleend opdat zij onder meer wat deze faciliteiten betreft in dezelfde positie zou komen te verkeren als de medewerkers in vaste dienst, moet worden verworpen. Zij had nu eenmaal een slechts tijdelijke aanstelling en bezat dus een zwakkere rechtspositie dan de medewerkers in vaste dienst. Het college was geenszins gehouden daarin verandering te brengen, en dit te meer niet daar dit ten koste had kunnen gaan van de (herplaatsings)mogelijkheden van de medewerkers die (al) in vaste dienst waren.

3.2.4. Vorenstaande overwegingen brengen de Raad tot het oordeel dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit van 9 augustus 2004 heeft kunnen komen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit komt dan ook voor ongegrondverklaring in aanmerking.

De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en tot deze ongegrondverklaring overgaan.

4. In het onder 3.1.2 overwogene vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal € 966,- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 april 2005;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2004 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de gemeente Cranendonck;

Bepaalt dat de gemeente Cranendonck aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 349,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.H. van Kreveld als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD