Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG0529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
20-10-2008
Zaaknummer
07-613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Er zijn geen redenen om de medische component van de schatting voor onjuist te houden. Geen aanleiding tot benoemen deskundige. Het besluit tot toekenning volledige WAO-uitkering kent een ander beoordelingsmoment.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2006, 06/1960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2008. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 1 november 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 31 augustus 2005 ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep tegen het bestreden besluit is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellante op juiste wijze heeft weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Het enkele feit dat tussen de datum van het onderzoek en de datum met ingang waarvan de uitkering is herzien bijna twaalf maanden liggen, is onvoldoende om te stellen dat het besluit op verouderde gegevens berust. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij zich kan verenigen met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts.

De rechtbank overweegt voorts dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

2. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe argumenten naar voren gebracht.

3.1. De Raad overweegt als volgt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen redenen zijn om de medische component van de schatting voor onjuist te houden. Zowel de primaire- als de bezwaarverzekeringsarts hebben zorgvuldig onderzoek verricht en de Raad ziet geen reden om aan te nemen dat appellante meer of anders beperkt is dan in de FML is weergegeven. Het gegeven dat tussen de datum van het onderzoek en de datum met ingang waarvan de uitkering is herzien bijna twaalf maanden liggen, maakt dit niet anders. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen in te willigen.

3.2. Met betrekking tot de arbeidskundige component van de zaak overweegt de Raad, eveneens met de rechtbank, dat deze geen gebreken vertoont. De schatting is gebaseerd op de functies textielproduktenmaker (sbc-code 111160), produktiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en medewerker tuinbouw (sbc-code 111010). De Raad oordeelt dat appellante op de thans in geding zijnde datum van 1 november 2005 in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.

3.3. Bij schrijven van 11 augustus 2008 heeft appellante een besluit van het Uwv van 21 januari 2008 in geding gebracht. In dit besluit heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij per 14 december 2007 een volledige WAO-uitkering ontvangt. De Raad overweegt in dit verband dat dit besluit een ander beoordelingsmoment kent en dat het geen betrekking heeft op de beoordeling die thans in geding is.

3.4. Uit het bovenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door G. van der Wiel als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.