Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF9495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
07-62 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Psychische klachten, nystagmus en visusklachten. Intrekking WAO-uitkering. Geen onderschatting medische beperkingen. Nadere toelichting gelet op de visuele beperking. Resterende functies zijn geschikt. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/62 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 december 2006, 06/1189 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 10 juni 2008 een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.P.M. Jacobi-Verstegen van 10 juni 2008 ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2008.

Namens appellant is verschenen mr. S. Jacobs, kantoorgenoot van mr. Van de Waarsenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 5 januari 2001 uitgevallen voor zijn werk in een asielzoekerscentrum vanwege psychische klachten. Hiernaast heeft hij nystagmus en visusklachten.

1.2. Met ingang van 4 januari 2002 heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van

30 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat appellant niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de WAO.

1.3. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 februari 2006, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant evenals bij de rechtbank aangevoerd dat te weinig rekening is gehouden met zijn psychische klachten en zijn visusklachten.

Er is verwezen naar de brief van behandelend psychiater H. Fennema van 6 augustus 2002 waarin is aangegeven dat er sprake is van slaapproblemen, fobische klachten, depressieve klachten en mogelijk een persoonlijkheidsstoornis met cluster -B- kenmerken. Volgens appellant acht de psychiater de ruimte om tot werkhervatting te komen vooralsnog heel gering.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv overweegt de Raad geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. In de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn diverse beperkingen opgenomen die samenhangen met de psychische klachten van appellant.

De verzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling rekening gehouden met door hem opgevraagde inlichtingen van de behandelend psychiater Fennema ook de gezondheidstoestand van appellant in 2002, 2004 en 2005.

4.2. Wat betreft appellants visusklachten stelt de Raad vast dat appellant op het item "2.1. Zien" in de FML beperkt wordt geacht, waarbij is toegelicht door de verzekeringsarts dat hij is aangewezen op grotere belettering bij lezen en dat fijn constructiewerk niet mogelijk is. De verzekeringsarts heeft zijn oordeel mede gebaseerd op door hem opgevraagde inlichtingen van de behandelend oogarts van appellant.

4.3. De arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige hebben de functies wat betreft de belasting op dit item conform deze toelichting alleen op fijn constructie- dan wel precisiewerk en belettering bij lezen beoordeeld terwijl in de Gebruikershandleiding CBBS is vermeld dat de arbeidsdeskundige, ten aanzien van functies waarin geen bijzondere eisen worden gesteld aan het zien, terdege beoordeelt of deze uitgeoefend kunnen worden door een cliënt met (een) visuele beperking(en).

Met het oog hierop heeft de Raad het Uwv gevraagd om ten aanzien van alle overgebleven functies een nadere toelichting te geven gelet op appellants visuele beperking.

4.4. Bezwaararbeidsdeskundige Jacobi-Verstegen heeft in haar rapportage van 10 juni 2008 een reactie gegeven en de functies operator voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271121) en productiemedewerker hout en bouw (sbc-code 111173) alsnog laten vervallen omdat deze functies te hoge eisen stellen aan het zien.

De functies hulparbeider groenvoorziening (sbc-code 111020), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en sorteerder/controleur (sbc-code 111340) zijn volgens haar onveranderd geschikt gebleven.

4.5. De Raad heeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de overgebleven functies niet geschikt zijn voor appellant. Het Uwv heeft alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt dat de functiebelasting in de restende functies in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant.

4.6. Nu in hoger beroep nog functies zijn vervallen en eerst in hoger beroep een deugdelijke motivering is gegegeven ten aanzien van de belasting in de geselecteerde functies gelet op appellants visus, kan niet worden vastgesteld dat het bestreden besluit voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan dit besluit de rechterlijke toets niet doorstaan. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen dus voor vernietiging in aanmerking. De rechtsgevolgen van dit besluit laat de Raad, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, in stand.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) R.L. Rijnen.

RB