Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF9188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
07-4157 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen middelen en verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Recht op bijstand kan wél worden vastgesteld. Ondeugdelijke motivering. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4157 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2007, 07/0761 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede) (hierna: Dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 14 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Veerkamp. Het Dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door V.V. Tuchkova, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 10 maart 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft bij de aanvraag om bijstand opgegeven dat zijn vermogen €1.132,18 negatief was. Naar aanleiding van een bericht dat appellant in 2002 € 50.000,-- heeft ontvangen waarmee hij een motorjacht heeft gekocht, heeft de Sociale Recherche Regio Zuid-Oost Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het Dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 11 december 2006 de bijstand van appellant over de periode van 10 maart 2004 tot en met 30 september 2006 in te trekken. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het Dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 11 december 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft verzwegen dat hij ten tijde hier van belang eigenaar was van een motorjacht en op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij een oordeel is gegeven over de intrekking van de bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.3. Indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB worden, voor zover hier van belang, tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in geding eigenaar was van een motorjacht en werkzaamheden heeft verricht. Voorts staat vast dat appellant door hiervan geen melding te maken de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.6. De gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat de waarde van het motorjacht gedurende de gehele periode in geding de op appellant van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de WWB ruim overschreed. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het motorjacht op 25 augustus 2002 is aangeschaft voor € 47.500,-- en in 2007 - na conservatoir beslag in verband met bijstandsfraude - is verkocht voor € 18.000,--. De door appellant gestelde schulden kunnen niet bij de vermogensvaststelling in aanmerking worden genomen omdat appellant het bestaan hiervan niet dan wel in onvoldoende mate met objectieve verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Rekening houdend met het in 1.2 vermelde negatieve vermogensbestanddeel, is de hoogte van het vermogen van appellant in de periode van 10 maart 2004 tot en met 30 september 2006 steeds zodanig geweest dat dit een beletsel vormde voor bijstandsverlening. Gelet hierop behoeven de door appellant verrichte werkzaamheden geen bespreking meer.

4.7. De in 1.3 vermelde motivering van de intrekking gaat ervan uit dat onduidelijk is gebleven of appellant beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Van enige onduidelijkheid op dit punt is, gelet op hetgeen in 4.6 is overwogen, echter geen sprake.

4.8. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil zoals in dit geval, het Dagelijks bestuur daartoe dient over te gaan en dat er dan geen plaats is voor het oordeel dat de bijstand moet worden ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het besluit van 6 februari 2007 berust in zoverre op een ondeugdelijke motivering.

4.9. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 6 februari 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand.

4.10. De Raad ziet tevens aanleiding om op basis van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 6 februari 2007 in stand te laten. Uit hetgeen in 4.5 en 4.6 is overwogen volgt dat het Dagelijks bestuur - op een andere grond - bevoegd is met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de in geding zijnde periode van 10 maart 2004 tot en met 30 september 2006. In de stelling van appellant dat coulance moet worden betracht in verband met zijn eenvoudige achtergrond, leeftijd en medische situatie ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks bestuur bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik heeft kunnen maken.

4.11. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten dient te worden afgewezen nu aan de voorwaarden die voor toekenning van een dergelijke vergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gelden, niet is voldaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 februari 2007 voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 10 maart 2004 tot en met 30 september 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ