Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF8889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2008
Datum publicatie
16-10-2008
Zaaknummer
06-2542WAO+06-2623WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Dubbel hoger beroep. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Onvolkomenheden zijn door aangepassing CBBS voldoende opgeheven. In hoger beroep alsnog noodzakelijk geachte aanvullende motiveringen van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2542 WAO en 06/2623 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 maart 2006, 05/281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 26 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Door H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen & Scheers Advocaten te Roermond, is namens betrokkene ook hoger beroep ingesteld.

Door beide partijen zijn verweerschriften ingediend.

Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2008. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.J.S. van Daatselaar.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat betrokkene na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 18 juli 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2004 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk geoordeeld.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraken van 13 januari 2006 (LJN: AU9706 en AU9707) overwogen dat de meest fundamentele bedenkingen die de Raad tegen het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft geuit in zijn uitspraken van 9 november 2004 ook nog gelden voor het door het Uwv naar aanleiding van die uitspraken aangepaste CBBS, de zogeheten nieuwe release van het CBBS.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat ook in het onderhavige geval bij de geautomatiseerde vergelijking van beoordelingspunten van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met de daarmee overeenkomende punten van de functiebelasting markeringen ontbreken waar deze wel hadden moeten verschijnen. Het gaat om de situatie dat voor een beoordelingspunt van de FML de normaalwaarde geldt en de functie een bijzondere belasting kent op het overeenkomende punt van de functiebelasting. Daaruit vloeit volgens de rechtbank voort dat de geautomatiseerde vergelijking in dit geval onvoldoende zekerheid biedt of betrokkene op de punten die worden vergeleken geschikt is voor de geselecteerde functie. Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank bij ieder niet-matchend beoordelingspunt te worden toegelicht of de geselecteerde functies ook op dat punt geschikt zijn.

2.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft ten slotte aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het Uwv heeft stelling genomen tegen de zienswijze van de rechtbank dat ook aan de nieuwe release van het CBBS nog structurele gebreken kleven, als aangegeven door de rechtbank. Het Uwv heeft verder geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de belastbaarheid van betrokkene in de geduide functies wordt overschreden.

3.2. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen de accordering door de rechtbank van de medische grondslag van het bestreden besluit.

4. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat het medisch onderzoek in deze voldoende zorgvuldig is geweest.

4.2. In reactie op het door betrokkene in hoger beroep overgelegde medisch journaal van huisarts B.K.P. den Dulk heeft het Uwv in de brief van 8 mei 2008 aangegeven dat, uitgaande van het gebruik van het middel amitryptilline in een normale of hoge dosering op of rond de datum in geding, op de FML een extra beperking moet worden aangenomen op aspect 1.9.9 (werksituatie zonder verhoogd persoonlijk risico).

4.3. Ten aanzien van het door betrokkene in hoger beroep overgelegde rapport van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, door wie betrokkene op 28 november 2006 is onderzocht, is de Raad van oordeel dat Busard zijn conclusie dat betrokkene niet in staat is om fulltime te werken op grond van de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis, niet aan de hand van een objectief-medische onderbouwing genoegzaam heeft gemotiveerd. Daarbij neemt de Raad de in de brief van 8 mei 2008 van het Uwv weergegeven reactie van de bezwaarverzekeringsarts op het desbetreffende rapport in aanmerking. Deze arts heeft het rapport van Busard besproken en daarbij beargumenteerd dat indien het rapport wordt ontdaan van de subjectieve waarnemingen en interpretaties, er een sober beschreven psychiatrisch onderzoek resteert, dat onvoldoende basis vormt voor de vergaande beperkingen die Busard aangeeft. Daarnaast worden, aldus deze arts, veel lichamelijke beperkingen aangenomen zonder dat daarvoor een lichamelijk onderzoek is verricht en zonder dat daar objectief medisch gezien reden toe bestaat; er zijn geen aanwijzingen voor somatische afwijkingen die dergelijke beperkingen kunnen rechtvaardigen. De Raad ziet geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen.

4.4. De overige in hoger beroep overgelegde medische informatie, te weten diverse brieven van de behandelend kno-arts dr. A.J.G. de Bruijn, een brief van de behandelend fysiotherapeut M. Dirks van 7 september 2006, een brief van de behandelend

internist dr. A.J. Ouwehand van 20 juli 2006 en een ongedateerde brief van de behandelend osteopaat M.C. Fijen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. In de brief van 8 mei 2008 heeft het Uwv afdoende gemotiveerd waarom deze brieven voor de bezwaarverzekeringsarts geen argumenten opleveren om meer beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid aan te nemen.

5.1. Ten aanzien van het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad in de eerste plaats dat namens het Uwv ter zitting is verklaard dat de schatting niet (meer) is gebaseerd op het standpunt dat betrokkene geschikt is voor het eigen werk doch (uitsluitend nog) op het standpunt dat betrokkene geschikt is te achten voor de met behulp van het CBBS geduide functies. Met betrekking tot deze theoretische schatting overweegt de Raad dat met de inmiddels door de Raad na de uitspraak van de rechtbank inzake het aangepaste CBBS gewezen nadere uitspraken, waarvan in het bijzonder de uitspraken van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971, 9974, 9976 en 9980), de door de rechtbank beschreven (principiële) bezwaren grotendeels reeds tot een beoordeling door de Raad hebben geleid, waarbij geldt dat die bezwaren in overwegende mate door de Raad niet worden gedeeld.

5.2. De Raad heeft, voor zover hier van belang, in zijn vorengenoemde uitspraken van 12 oktober 2006 blijk gegeven van het oordeel dat met de naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte systeemaanpassingen, de onvolkomenheden van het CBBS zoals deze zijn beschreven in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, in voldoende mate zijn opgeheven.

5.3. De Raad heeft het daarbij genoegzaam aannemelijk geacht dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde alle onderkent en signaleert.

5.4. Hierbij overweegt de Raad nog, naar aanleiding van de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, dat hij in zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN: BC3237) heeft blijk gegeven van de opvatting dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om zijn hiervoor weergegeven oordeel over het aangepaste CBBS niet langer juist te achten vanwege het gebruik van het begrip bijzondere belasting.

5.5. Voor de Raad staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene beperkt wordt geacht op een bepaald aspect, het zich voordoen van een bijzondere belasting in een functie op datzelfde aspect ertoe leidt dat die functie, zo deze niet automatisch door het systeem is verworpen, op het resultaat functiebeoordeling steeds van een signalering wordt voorzien, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene op dit punt.

5.6. Eveneens staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde.

5.7. De rechtbank kan aldus niet worden gevolgd in haar oordeel dat de meest fundamentele bedenkingen die de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 tegen het CBBS heeft geformuleerd, ook nog gelden voor de nieuwe release van het CBBS. Dit leidt echter niet tot volledige vernietiging van de aangevallen uitspraak, ook al omdat het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat het bestreden besluit terecht is vernietigd, gelet op de in hoger beroep nog noodzakelijk geachte aanvullende motiveringen van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5.8. Met betrekking tot het verzoek van het Uwv om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten overweegt de Raad het volgende. Na aanpassing van de FML zoals onder 4.2 is weergegeven, heeft de bezwaararbeidsdeskundige M. van Wijngaarden twee functies uit Sbc-code 272060 (lederwarenmaker) als niet langer geschikt voor betrokkene bestempeld. Nu in eerste aanleg de functies in Sbc-code 267050 al niet langer aan de schatting ten grondslag werden gelegd, betekent dit dat de schatting thans is gebaseerd op de functies productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043), textielproductenmaker (Sbc-code 111160) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180). Voor de Raad staat genoegzaam vast dat de bij de schatting betrokken functies passend zijn te achten voor betrokkene. Met de in beroep overgelegde brief van 12 oktober 2005, waarin tevens is verwezen naar de resultaten van het overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, in samenhang bezien met het in hoger beroep overgelegde nadere rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 april 2008, is naar het oordeel van de Raad alleszins afdoende gemotiveerd dat de functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van betrokkene blijven. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene daarmee onveranderd uitkomt op minder dan 15%, bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten.

5.9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- (1 punt voor het verweerschrift) voor verleende rechtsbijstand.

De kosten van het uitgebrachte rapport van dr. Busard ad € 950,- en de kosten voor het verstrekken van inlichtingen door kno-arts De Bruijn ad € 43,- komen, nu het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, niet voor toewijzing in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv daarin is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

TM