Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF8157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
07-6033 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 8:4, aanhef en onder d, Awb. Geen strijd met art. 26 IVBPR, art. 1 Twaalfde Protocol bij EVRM. Dat voor de toegang tot de adm. rechter is vereist dat het gaat om aanstelling of benoeming in andere functie die binnen het gezagsbereik valt van het tot aanstelling en ontslag bevoegde gezag, is voldoende rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid. Evenmin strijd met art. 6 jo art. 14 EVRM.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2008, 1980
TAR 2009/17
BA 2008/296
ABkort 2008/488
JB 2008/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6033 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 september 2007, 07/2163 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Bestuur van de Centrale Raad van Beroep (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 6 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij brief van 21 juli 2006 heeft de directeur bedrijfsvoering van de Centrale Raad van Beroep appellant in reactie op zijn sollicitatie meegedeeld dat is besloten hem niet in aanmerking te brengen voor de functie van gerechtsauditeur bij de Raad.

Het daartegen door appellant ingediende bezwaarschrift is door het bestuur bij het bestreden besluit van 16 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het tegen het bestreden besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2008, waar appellant in persoon is verschenen. Het bestuur is, zoals eerder aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De wet voorziet niet in de mogelijkheid de behandeling van het geschil in hoger beroep te verwijzen naar een ander gerecht. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat behandeling van de zaak door de Raad, gezien de betrokkenheid als partij van het bestuur, in strijd komt met het recht op behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de voorzitter en leden van de behandelende kamer allen raadsheer-plaatsvervanger bij de Raad zijn en primair lid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn.

2. Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover thans van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als zodanig.

Zoals de Raad heeft geoordeeld in de uitspraak van 14 juli 2006, LJN AY4812 en TAR 2007, 94, kan een afwijzend besluit op een sollicitatie naar een functie als rechterlijk ambtenaar worden gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb.

3. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank hem ten onrechte geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming heeft geboden. Volgens appellant maakt artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb een onterecht onderscheid naar status nu daaruit voortvloeit dat ambtenaren werkzaam binnen het gezagsbereik van het bestuur wel, en ambtenaren die, zoals appellant, binnen het gezagsbereik van andere bestuursorganen vallen en zijn belast met de uitvoering van wettelijke voorschriften ter zake waarvan de Raad is aangewezen als administratieve appelrechter, geen toegang hebben tot de administratieve rechter. Appellant beroept zich ter onderbouwing van zijn betoog op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 6, gelezen in samenhang met artikel 14, van het EVRM.

4. Naar aanleiding van het afwijzende besluit van het bestuur op een eerdere sollicitatie van appellant naar de functie van gerechtsauditeur bij de Raad, heeft de Raad in de uitspraak van 14 juli 2006 geoordeeld dat, daargelaten of artikel 26 van het IVBPR van toepassing is op de verdeling van rechtsmacht tussen administratieve rechter en burgerlijke rechter, niet valt in te zien dat het onderscheid dat door appellant is gelaakt, niet gerechtvaardigd is. Artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM is naar aard en strekking gelijk aan artikel 26 van het IVBPR en leidt niet tot een ander oordeel.

Ook na de uitspraak van de Raad van 15 november 2006, LJN AZ3047 (TAR 2007, 26), waarmee is beoogd de in het kader van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb wat betreft de toegang tot de administratieve rechter gevormde jurisprudentie te verruimen, kan in de omstandigheid dat voor die toegang is vereist dat het gaat om een besluit omtrent aanstelling of benoeming in een andere functie die binnen het gezagsbereik valt van het tot aanstelling en ontslag van de desbetreffende ambtenaar bevoegde gezag, voldoende rechtvaardiging worden gevonden voor het in die bepaling gemaakte onderscheid.

4.1. Voor zover appellant betoogt dat uit de uitspraak van de Raad van 10 april 2008, LJN BD0133, volgt dat voor ambtenaren beroep op de administratieve rechter ook openstaat wanneer het een afwijzend besluit betreft op een sollicitatie naar een functie buiten het gezagsbereik van zijn tot aanstelling en ontslag bevoegde gezag, miskent dat betoog dat in die zaak, anders dan in dit geval, sprake was van overplaatsing van een ambtenaar tussen twee ministeries en intrekking van eerdere besluiten betreffende diens beoogde tewerkstelling.

4.2. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat voor appellant de weg naar de burgerlijke rechter openstaat, kan de omstandigheid dat hem ter zake van het bestreden besluit geen beroep toekomt op de administratieve rechter niet leiden tot de conclusie dat sprake is van schending van artikel 6, gelezen in samenhang met artikel 14, van het EVRM, zoals hij betoogt. Gelet hierop mist het ter adstructie van dat betoog door appellant gedane beroep op het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 19 april 2007 in de zaak Eskelinen e.a./Finland, LJN BA6626 en AB 2007,317, over uitsluiting van groepen ambtenaren van rechtsbescherming, te dezer zake relevantie.

5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het bestuur het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.A.C. Slump als voorzitter en H.G. Lubberdink en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2008.

(get.) D.A.C. Slump.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

27.09