Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF8086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
07-1142 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op aanvulling bovenwettelijke ziekte-uitkering o.g.v. CAR omdat sprake is van ontslag op eigen verzoek o.g.v. overeenkomst. Rechtsgeldigheid ontslag speelt in deze procedure geen rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1142 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te Leiderdorp, (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 21 december 2006, 05/4853 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland (hierna: ISMH)

Datum uitspraak: 25 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens ISMH is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.J. Smallenbroek, advocaat te Leiderdorp. ISMH heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Peetsma en R. de Roo, beiden werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere beschrijving van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was sinds 15 maart 1999 werkzaam bij ISMH als [naam functie] bij het [dienstonderdeel]. Vanaf 15 maart 2000 was zij werkzaam in vaste dienst. Na een periode van toenemende kritiek op haar functioneren heeft ISMH appellante bij brief van 20 juli 2001 in kennis gesteld van zijn voornemen haar, met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR), met ingang van 1 september 2001 ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan wegens ziekten of gebreken. Hierna opgevatte onderhandelingen, waarbij appellante werd bijgestaan door een advocaat, hebben er uiteindelijk toe geleid dat appellante en ISMH op 29 augustus 2001 een overeenkomst hebben getekend, waarbij onder meer is afgesproken dat appellante op haar schriftelijk verzoek met ingang van 1 november 2001 eervol ontslag wordt verleend en dat in de maand november 2001 aan haar een eenmalige uitkering wordt toegekend overeenkomende met een maand bezol-diging. In artikel 8 van de overeenkomst is bepaald dat partijen jegens elkaar geen juridische stappen ondernemen anders dan ten aanzien van de in de overeenkomst opgenomen bepalingen.

1.2. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft appellante ISMH bij brief van 29 augustus 2001 verzocht haar met ingang van 1 november 2001 ontslag te verlenen uit haar functie onder de overeengekomen voorwaarden. Vervolgens heeft ISMH appellante bij besluit van 7 september 2001 met ingang van 1 november 2001, op eigen verzoek, eervol ontslag verleend.

1.3. Bij besluit van 8 januari 2002 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) aan appellante met ingang van 1 november 2001 een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) toegekend. Bij besluit van 9 januari 2002 heeft ISMH appellante meegedeeld dat zij recht heeft op een bovenwettelijke ziekte-uitkering (hierna: BW-uitkering), als aanvulling op haar ziekte-uitkering.

1.4. Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar recht op ZW-uitkering op 22 april 2002 wegens hersteldverklaring is geëindigd en dat de teveel ontvangen ZW-uitkering intern zal worden afgeboekt. Bij besluit van eveneens 19 februari 2004 is namens ISMH aan appellante kenbaar gemaakt dat het besluit van 9 januari 2002, betreffende de toekenning van BW-uitkering, wordt ingetrokken, omdat appellante op eigen verzoek de aanstelling heeft beëindigd en dat door deze intrekking een terugvordering ontstaat. Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 22 april 2002 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.

1.5. Bij besluit van 8 juni 2005 (hierna: bestreden besluit I) hebben het Uwv respectie-velijk ISMH het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 19 februari 2004 betreffende de ZW-uitkering en de BW-uitkering, en het besluit van 20 februari 2004 betreffende de WW-uitkering, ongegrond verklaard. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat was gericht tegen terugvordering van BW-uitkering.

1.6. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. Bij brief van

21 september 2005 hebben het Uwv en ISMH appellante meegedeeld dat bestreden besluit I wordt ingetrokken. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2006 (hierna: bestreden besluit II) het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van de ZW-uitkering per 23 april 2002 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de weigering van WW-uitkering gegrond verklaard, waarbij aan haar met ingang van 23 april 2002 alsnog WW-uitkering is toegekend.

1.7. Bij besluit van eveneens 8 maart 2006 (hierna: bestreden besluit III) heeft ISMH het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 februari 2004, strekkende tot intrekking van BW-uitkering, opnieuw ongegrond verklaard.

1.8. De rechtbank heeft, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep mede gericht geacht tegen de bestreden besluiten II en III. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover het was gericht tegen het (ingetrokken) bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover het was gericht tegen bestreden besluit III gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank konden de grieven van appellante tegen de intrekking van de BW-uitkering niet slagen, maar kon bestreden besluit III niettemin niet in stand blijven omdat dat besluit is genomen in strijd met artikel 6:18, derde lid, van de Awb.

1.9. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hoger beroep van appellante uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank waarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit III in stand zijn gelaten. Appellante meent dat zij wel aanspraak kan maken op BW-uitkering.

2. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

2.1. Artikel 10a:12, eerste lid, van de CAR, bepaalt dat de betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de ZW ontvangt, recht heeft op aanvulling van dat ziekengeld indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk (aanvulling op werkloosheidsuitkering) als hij niet ziek was geweest. Ingevolge artikel 10a:2, eerste lid, van de CAR heeft recht op een aanvullende uitkering op de werkloosheidsuitkering de betrokkene die (a) recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de WW en (b) werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7 onderdeel a of c, 8:8 of 8:12.

2.2. Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat, nu appellante vanaf 23 april 2002 geen recht meer had op een ZW-uitkering omdat zij niet langer ziek was, aan haar vanaf die datum op grond van artikel 10a:12 van de CAR ook geen aanvulling van ziekengeld toekwam. Wat betreft de voorliggende periode, van 1 november 2001 tot en met 22 april 2002, waarin appellante wel aanspraak had op ziekengeld, stelt de Raad vast dat appellante, naar aanleiding van de overeenkomst van 29 augustus 2001 en haar daaruit voortvloeiende ontslagverzoek, bij besluit van 7 september 2001 op eigen verzoek met ingang van 1 november 2001 eervol ontslag is verleend als bedoeld in artikel 8:1 van de CAR. Nu aan haar ontslag is verleend op een grond die niet is genoemd in artikel 10a:2, eerste lid, onder b, van de CAR, had appellante ook gedurende het tijdvak van 1 november 2001 tot en met 22 april 2002 geen recht op aanvulling van ziekengeld.

2.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij wel recht heeft op aanvulling van ziekengeld omdat de overeenkomst van 29 augustus 2001 niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Appellante meent dat zij op dat moment niet wilsbekwaam was. Hierdoor is geen sprake van ontslag en is appellante in dienst gebleven van ISMH.

2.4. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Indien appellante meende dat het ontslag op eigen verzoek niet rechtsgeldig was had zij bezwaar moeten maken tegen het ontslag-besluit van 7 september 2001. Appellante heeft dat niet gedaan zodat het ontslagbesluit in rechte vaststaat. De ter zitting van de Raad door appellante opgeworpen grief dat zij vanwege artikel 8 van de overeenkomst geen bezwaar kon maken tegen het ontslag-besluit, leidt de Raad, wat er van die grief verder ook zij, niet tot een ander oordeel, nu uit de gedingstukken blijkt dat appellante pas in 2004, dus ver na de bezwaartermijn, toen de nadelige gevolgen van de ontslagname haar duidelijk werden, voor het eerst pogingen heeft ondernomen om de ontslagname ongedaan te maken.

3. Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en moet de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. van Berlo.

HD