Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF8084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
07-324 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Discrepantie klachten en bevindingen. Juistere omschrijving belastbaarheid door verwijderen verborgen beperkingen. Geen ongeoorloofde discriminatie door wijziging Schattingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/324 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006, 06/1861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 21 november 2002 zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer ten gevolge van een verkeersongeval moeten staken. Per einde wachttijd,

20 november 2003, is hij in aanmerking gebracht voor een WAZ-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij besluit van 26 september 2005 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant per 27 november 2005 ingetrokken. Bij besluit van 24 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant gericht tegen het besluit van

26 september 2005 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant – evenals in beroep - aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts zijn medische beperkingen te laag heeft ingeschat. Hij stelt te kampen met nekpijn, hoofpijn, vermoeidheid en cognitieve stoornissen en ziet deze beperkingen niet, althans onvoldoende opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hij meent dat de geduide functies, door lawaai, door het autorijden en door de te behalen productienormen, niet passend voor hem zijn. Appellant heeft daarnaast gehandhaafd zijn stelling dat het achterwege laten van de verdiscontering van toeslagen voor wisseldiensten in de berekening van de maatman in het thans vigerende Schattingsbesluit in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBRP).

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de urenomvang van de maatman heeft gemaximeerd op 38 uur.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd.

De Raad ziet in dit verband evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts akkoord bevonden beperkingen. In tegenstelling tot appellant ziet de Raad in de door hem in de loop van de procedures overgelegde expertises van psychiater M. Kuilman van 13 september 2004, neuropsycholoog P.J.J. van der Werff van 6 juni 2006, psychiater W. Dominicus van 4 juli 2006 en psychiater Van Eyk van 19 december 2007 geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat hij - met name in de rubrieken I, II en VI van de FML - meer beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangegeven. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts zoals neergelegd in zijn rapportage van 8 februari 2008 dat de expertises van Kuilman, Dominicus en Van Eyk elkaar in diagnostische zin bevestigen in die zin dat er is sprake van een chronische aanpassingsstoornis in het kader van verwerkingsproblematiek. De Raad is daarnaast van oordeel dat deze expertises een bevestiging vormen van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat er een grote discrepantie bestaat tussen de klachten en de bevindingen bij onderzoek daar waar in deze expertises gesteld wordt dat sprake lijkt te zijn van aggravatie van de klachten. Dit geldt evenzeer voor de expertise van Van der Werff waarin wordt gesproken van enige aggravatie en simulatie van klachten en waarin voorts wordt gesteld dat de geregistreerde stoornissen te sterk zijn om geheel verklaarbaar te zijn uit het ongeval. Met de expertise van Van Eyk – waarin ver na datum in geding ook van aggravatie van de klachten gesproken wordt – valt dit naar het oordeel van de Raad als rode draad in de klachtenbeleving van appellant aan te merken. Met betrekking tot de expertise van orthopedisch chirurg A.V. Steenmeyer van 1 mei 2006 onderschrijft de Raad het in de rapportage van 8 augustus 2008 weergegeven standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat deze geen aanleiding vormt tot bijstelling van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggend FML. De stelling van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat vinden naar het oordeel van de Raad dan ook onvoldoende steun in de voorhanden zijnde medische gegevens.

4.2. Gemachtigde van appellant heeft ter zitting nog aangevoerd dat met het verwijderen door de bezwaarverzekeringsarts van de in de FML van 2 september 2005 voorkomende verborgen beperkingen een aanpassing van de FML heeft plaatsgevonden die nader gemotiveerd had moeten worden en welke alleen per toekomende datum had kunnen plaatsvinden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn in het kader van het CBBS gegeven uitspraak van 23 februari 2007 (LJN:AZ9153) en is van oordeel dat het corrigeren van de FML ter verwijdering van verborgen beperkingen zonder meer mogelijk is nu deze leidt tot een juistere omschrijving van de belastbaarheid van betrokkene. Van een aanpassing van de FML in die zin dat de belastbaarheid van betrokkene wordt gewijzigd is in het onderhavige geval geen sprake.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat in de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige van 26 september 2005 en 24 oktober 2006 op duidelijke wijze puntsgewijs is weergegeven waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. Uitgaande van het met deze functies te generen mediane inkomen van € 12,26 per uur leidt dit – onder toepassing van de juiste urenomvang van de maatman van 45 uur – tot een verlies aan verdiencapaciteit van 19%, hetgeen geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de wijziging van het Schattingsbesluit per 1 oktober 2004 ten aanzien van de mogelijkheid van het duiden van functies in wisseldiensten heeft geleid tot een ongeoorloofde discriminatie in de zin van artikel 1 van de Grondwet of artikel 26 van het IVBPR.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en

F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM