Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF8066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
07-834 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Klachten onvoldoende medisch objectiveerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/834 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 december 2006, 06/933 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.H. van der Kolk, werkzaam bij AdVeKo te Erica, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2008. Zoals aangekondigd is appellante niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd.

1.2. Na verzekeringskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

26 juli 2005 geweigerd appellante per 22 februari 2005 de door haar aangevraagde uitkering toe te kennen op de grond dat, rekening houdend met haar beperkingen, appellante in staat moet worden geacht gangbare werkzaamheden te verrichten, waarmee zij ongeveer 100% kan verdienen van hetgeen de aan haar gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen.

1.3. De primaire verzekeringsarts heeft blijkens haar rapportage van 10 juni 2005 op basis van door haar ingewonnen inlichtingen bij de huisarts van appellante die brieven van een neuroloog, een kinderarts en een revalidatie arts heeft overgelegd, geconcludeerd dat bij appellante geen sprake is van een objectiveerbare pathologie. Gelet op het klachtenpatroon van appellante heeft de verzekeringsarts de diagnose somatoforme stoornis gesteld. Appellante is beperkt geacht voor extreem hoge productie eisen en zeer zwaar lichamelijk werk met lange statische houdingen. Eén en ander is neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juni 2006.

1.4. Bij besluit van 19 juni 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juli 2005 ongegrond verklaard.

1.5. Aan dit besluit ligt onder meer een rapportage van 28 februari 2006 van een bezwaarverzekeringsarts ten grondslag. Deze arts heeft de overwegingen van de primaire verzekeringsarts plausibel bevonden, nu is uitgegaan van het ontbreken van duidelijke verklarende somatische afwijkingen en het bestaan van een meer verklarende psychiatrische diagnose. De beschreven belastbaarheid past daarbij.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 19 juni 2006 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat veel medische gegevens zijn aangedragen, doch niet is gebleken van een duidelijke en medisch objectiveerbare oorzaak voor appellantes klachten. Om die reden is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de in artikel 2 van de Wajong gestelde eis dat de ongeschiktheid voor arbeid een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte is. In dit verband heeft de rechtbank nog overwogen dat er wel rekening is gehouden met een aantal van de door appellante gestelde beperkingen.

2.2. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een situatie waarin zonder dat daarvoor een duidelijke oorzaak is aan te wijzen, toch sprake moet zijn van arbeidsongeschiktheid in vorenbedoelde zin. Er is immers geen sprake van bij verschillende medici bestaande overtuiging dat appellante als gevolg van een (pijn)syndroom niet tot werken in staat is. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat uit een door appellante overgelegde rapportage van de revalidatie arts Van Aanholt blijkt dat er bij appellante sprake is van een pijnsyndroom, maar ook dat hij appellante in staat acht tot het verrichten van lichte arbeid, indien zij een gedragtherapeutische behandeling heeft gehad.

3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank de rapportage van de revalidatie arts Van Aanholt onjuist heeft geïnterpreteerd. Daarbij heeft zij gewezen op een brief van deze arts, gedateerd 5 maart 2007, waarin is aangegeven dat appellante eerst tot lichte werkzaamheden in staat is nadat zij een behandeling heeft gehad. Voorts heeft appellante gesteld dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de mogelijkheid dat haar klachten zijn toe te schrijven aan de ziekte van Lyme. Ook overigens heeft naar haar mening de rechtbank onvoldoende acht geslagen op de voorhanden zijnde medische informatie. In het bijzonder heeft appellante erop gewezen dat ook bij een niet objectiveerbare aandoening arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen. Naar haar mening is daarvan in haar situatie sprake.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot het gestelde omtrent de ziekte van Lyme constateert de Raad op grond van de gedingstukken dat daarvan op de hier aan de orde zijnde beoordelingsdatum in ieder geval geen sprake was. Met betrekking tot de brief van de revalidatie arts Van Aanholt overweegt de Raad dat het Uwv in het verweerschrift er terecht op heeft gewezen dat deze arts appellante niet heeft gezien en dat deze arts er voorts aan voorbij is gegaan dat wel degelijk een behandeling heeft plaatsgevonden. Aan de brief van 5 maart 2007 kent de Raad dan ook niet die betekenis toe die appellante daaraan toekent. De Raad deelt niet de mening van appellante dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de beschikbare informatie omtrent haar gezondheidstoestand. Uit deze informatie blijkt genoegzaam dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet is gebleken van een duidelijke en medisch objectiveerbare oorzaak voor de klachten van appellante. Voorts heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad met juistheid overwogen dat in het geval van appellante geen sprake is van een bij verschillende medici bestaande overtuiging dat appellante als gevolg van ziekte of gebreken niet tot werken in staat is.

4.2. De Raad stelt vast dat, uitgaande van de FML van 10 juni 2005, de geduide functies voor appellante passend moeten worden geacht. Dit is voldoende inzichtelijk toegelicht in een arbeidskundige rapportage van 17 november 2006.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM