Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF7597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
07-2657 WWB + 07-5844 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Is er sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 333 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2657 WWB

07/5844 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 11 april 2007, 06/5161 en 17 september 2007, 07/1483 (hierna: aangevallen uitspraken)

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. Th.A. Vermolen in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2008, waar beide gedingen gevoegd zijn behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door drs. Vermolen. Het College heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft het College de op 1 augustus 2006 door appellante gevraagde bijzondere bijstand voor door drs. Th.A. Vermolen (hierna: Vermolen) in rekening gebrachte kosten van in totaal € 196,20 afgewezen. Deze kosten hadden betrekking op begeleiding door Vermolen bij een gesprek van appellante bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling.

1.3. Bij besluit van 21 september 2006 heeft het College het tegen het besluit van 10 augustus 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.4. Op 9 oktober 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor onder andere de kosten die Vermolen haar in rekening heeft gebracht voor (rechts)bijstand in verband met een bij de rechtbank gevoerde procedure tot een bedrag van € 90,--. Bij besluit van 10 november 2006 heeft het College de aanvraag voor deze kosten afgewezen. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, nr. 06/5161, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het College in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpr).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak, nr. 07/1483, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep tegen het besluit van 15 februari 2007 vernietigd en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. Ook in deze procedure heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het College in de proceskosten, omdat niet gesproken kan worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 van het Bpr.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft Vermolen de Raad een omvangrijk gedeelte van zijn administratie doen toekomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Zoals nadrukkelijk namens appellante ter zitting naar voren is gebracht richten de hoger beroepen zich uitsluitend nog tegen de aangevallen uitspraken, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van door Vermolen beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.2. Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpr bepaalt, voor zover hier van belang, dat een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 februari 2006, LJN AV3971, is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht.

4.4. Uit de gedingstukken en de hierop door Vermolen ter zitting gegeven toelichting is de Raad genoegzaam gebleken dat aan de hiervoor door de Raad gestelde voorwaarden is voldaan. Uit de door Vermolen overgelegde stukken blijkt immers dat hij meer dan incidenteel (juridisch) advies en procesbijstand verleent en dat hiervoor kosten in rekening worden gebracht.

4.5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak met nummer 06/5161, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het College veroordelen in de kosten van de aan appellante in beroep verleende rechtsbijstand, te begroten op € 644,--.

4.6. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de aangevallen uitspraak met nummer 07/1483, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het College veroordelen in de kosten van de aan appellante in beroep verleende rechtsbijstand, te begroten op € 644,--.

4.7. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Daarbij overweegt de Raad dat in een beroepszaak betreffende de vergoeding van proceskosten, in beginsel gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) dient te worden toegepast. Dat betekent dat de proceskosten in beide hoger beroepen worden begroot op € 161,--, derhalve in totaal op € 322,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg de door appellante betaalde griffierechten in hoger beroep van in totaal € 212,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) M.J. Bernhagen.

OA