Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF7400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2008
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
06-1725 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschikt voor maatgevende arbeid als onderwijskracht. Medische beperkingen onderschat? Vallen gymles en pleinwacht binnen beperkingen? Geschiktheid voor maatgevende arbeid rechtvaardigt de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1725 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 februari 2006, 05/1432

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Hoek, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. Broens, kantoorgenoot van mr. Hoek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Delfgaauw.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben diverse malen hun standpunten nader toegelicht en de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 augustus 2008. Namens appellante is verschenen mr. Broens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was laatstelijk werkzaam als onderwijskracht op een basisschool voor 23 uren per week. Zij is voor haar werkzaamheden op 9 maart 1998 uitgevallen in verband met een schildklieraandoening en vermoeidheidsklachten. Met ingang van 8 maart 1999 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het dienstverband van appellante is nadien beëindigd. In verband met een wettelijke herbeoordeling heeft in 2004 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. De belastbaarheid van appellante is vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen niet ongeschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Bij besluit van 25 mei 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 juli 2004 ingetrokken.

2. Appellante heeft bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaar-verzekeringsarts onderzoek verricht en de FML bijgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft nader onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellante en heeft in zijn rapportage van 28 april 2005 geconcludeerd dat de functiebelasting binnen de belastbaarheid van appellante blijft, zodat zij onverminderd geschikt is voor de maatgevende arbeid. Bij het besluit van 28 april 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 mei 2004 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen zoals neergelegd in de FML zijn onderschat. Ten onrechte zijn geen beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2. Zij heeft last van hoge bloeddruk, hyperventilatie en heeft problemen met concentratie en aandacht. Alhoewel de verzekeringsarts bij de herbeoordeling in 2004 te kennen gaf dat de oorzaak gezocht diende te worden op psychisch gebied, zijn er geen psychische beperkingen aangenomen. Ook heeft appellante last van hartkloppingen, trillen, zweten en paniekaanvallen. Er is in feite sprake van een angststoornis, doch ten onrechte heeft geen onderzoek plaatsgevonden overeenkomstig het verzekeringsgeneeskundig protocol ‘angststoornissen’. Verder zijn ten onrechte te weinig beperkingen aangenomen ten aanzien van het hand- en vingergebruik; met name is ten onrechte aangenomen dat zij een redelijke mate van knijp- en grijpkracht kent. Zij leed reeds per de datum in geding beiderzijds aan het carpaal tunnel syndroom (CTS). Die klachten zijn door de bezwaarverzekeringsarts niet onderzocht, doch slechts beoordeeld op basis van het dossier.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft appellante er allereerst op gewezen dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in dit geding erop neerkomt dat zij feitelijk theoretisch geschat wordt op één functie zonder dat de waarborgen van het Schattingsbesluit zijn gehanteerd. Voorts acht zij de door de bezwaararbeidsdeskundige opgemaakte functieomschrijving te summier om te kunnen beoordelen of alle belastende aspecten zijn meegenomen. Zij is vanwege haar beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik niet in staat de bij de gymlessen benodigde fysieke begeleiding te geven. Voorts is zij gelet op deze beperkingen niet (voldoende) in staat computerondersteunend onderwijs te geven. Vanwege haar beperkingen ten aanzien van lopen en staan kan zij haar taak als pleinwacht niet vervullen.

4.2. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Hiertoe is verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 1 en 22 februari 2008 en 18 april 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 februari 2008 en 22 april 2008.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Wat betreft de medische besluitvorming heeft de Raad evenmin als de rechtbank redenen om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn in hoger beroep overgelegde rapportages overwogen dat de door appellante geuite klachten te vaag zijn voor een concentratie- of aandachtsprobleem. Deze klachten zijn niet geobjectiveerd. Dat de primaire verzekeringsarts de oorzaak zocht op psychisch gebied, betekent nog niet dat er psychische beperkingen zijn. Die verzekeringsarts heeft geen psychopathologie kunnen waarnemen en er was geen sprake van psychische behandeling. In het bezwaarschrift komen geen claimklachten voor op psychisch gebied. Een hyperventilatiesyndroom duidt op een verkeerde manier van ademhalen. Bij appellante wordt dit geïllustreerd met behandeling door een logopediste en niet door een geestelijke hulpverlener. De internist gaf aan dat de toestand van appellante door de ademoefeningen duidelijk is verbeterd. Dat de huisarts te kennen gaf dat spanningen luxerend werken op deze klachten betekent niet dat sprake is van een psychische stoornis. Het medicijngebruik is reeds bekend. Dat bij spanning de (al dan niet verhoogde) bloeddruk wat kan oplopen kan niet worden beschouwd als (uiting van) ziekte. Er kan dan ook niet gesproken worden van een angststoornis. Wat betreft het CTS heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat van lichamelijk onderzoek in bezwaar is afgezien omdat voldoende kennis aanwezig was over het ziektebeeld respectievelijk de consequenties voor het functioneren van appellante. De postoperatieve klachten laten onverlet dat bij de operatie de beknelde, tot klachten en belemmeringen leidende, zenuw is vrij gelegd en aldus de stoornis is opgeheven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij gewezen op het door de primaire verzekeringsarts geschetste functioneringsniveau, waaruit blijkt dat appellante in staat was om het volledige huishouden te doen (zware boodschappen tillen, strijken, koken, stofzuigen etc.). Het nog kunnen uitvoeren van deze belastingen illustreert dat appellante ten tijde in geding beschikte over een redelijke mate van knijp- en grijpkracht. De Raad acht met de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts de door appellante in hoger beroep ingenomen stellingen voldoende onderbouwd weerlegd. Daarbij wijst de Raad erop dat appellante voor haar stelling dat zij meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd, geen objectief medisch gegeven ter ondersteuning heeft ingebracht.

5.2. Wat betreft de geschiktheid van appellante voor het eigen werk overweegt de Raad het volgende. In zijn eerder vermelde rapportage van 28 april 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige uiteengezet dat uitgaande van de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML, de in de eigen functie voorkomende belastingen binnen de belastbaarheid van appellante blijven. In beroep bij de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 19 september 2005 nogmaals aan de hand van een functieomschrijving van de groepsleerkracht in het basisonderwijs met daarin de diverse belastingen per hoofdtaak, uiteengezet dat de functiebelasting binnen de belastbaarheid van appellante blijft. Bij zijn rapportage van 11 februari 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, na eigen onderzoek op de werkplek van appellante en een gesprek met de directeur van de basisschool, de feitelijke werkzaamheden bij de gymlessen en als pleinwacht nauwkeuriger in kaart gebracht en gemotiveerd waarom appellante met inachtneming van haar beperkingen in staat moet worden geacht ook met betrekking tot deze onderdelen van de werkzaamheden het eigen werk te verrichten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn diverse rapportages gegeven beschrijving van het eigen werk van appellante, welke omschrijving door appellante niet is betwist, onvoldoende de diverse belastende kenmerken van de functie weergeeft. De Raad ziet, gelet op de in dit geding aanwezige arbeidskundige rapporten, geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellante, uitgaande van de voor haar de bij de FML vastgestelde functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht het eigen werk in volle omvang te verrichten.

5.3. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatgevende arbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatgevende arbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is. Hiervan is in dit geval geen sprake.

5.4. Met betrekking tot de grief van appellante dat ten onrechte de waarborgen van het Schattingsbesluit niet zijn gehanteerd, wijst de Raad erop dat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van geschiktheid voor de maatgevende arbeid en er derhalve geen arbeidsongeschiktheid bestaat in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO, niet wordt toegekomen aan een beoordeling op basis van het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten.

5.5. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en

M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij

TM