Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF5166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
07-1534 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een bijstandsaanvrager/-ontvanger als zodanig vormt geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. Niet is aangetoond dat binnengetreden is na voorafgaand “informed consent” van betrokkene. Vertragingsschade

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 299
USZ 2008/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1534 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 31 januari 2007, 06/1421 en 06/1593 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Veenstra, werkzaam bij de gemeente Groningen. Ter zitting zijn als getuigen gehoord [A.], [V.] en [H.].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 april 1990 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een schriftelijke anonieme tip, ontvangen op 17 mei 2005, hebben twee medewerkers van de Afdeling Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen op 19 juni 2006 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. De bevindingen van dat huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juli 2006. Hierop heeft het College bij besluit van 7 september 2006 de bijstand van appellante met ingang van 19 juni 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 19 juni 2006 tot en met 31 juli 2006 tot een bedrag van € 1151,70 van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 16 november 2006, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2006 ongegrond verklaard op de grond dat appellante niet heeft doorgegeven dat zij vanaf 19 juni 2006 samenwoont en dat het inkomen van haar en haar partner hoger is dan de voor beiden geldende bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de woning dan wel anderszins. Artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken.

4.2. De Raad stelt voorop dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de op de woning betrekking hebbende persoonlijke levenssfeer (het huisrecht) valt af te leiden dat eerst van een inbreuk op het huisrecht sprake is wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dat recht beroept. Van een inbreuk op het huisrecht is derhalve geen sprake wanneer de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. De toestemming moet op basis van vrijwilligheid zijn verleend, waarbij heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Voor een geval waar voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet hem duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand.

4.3. Naar het oordeel van de Raad was er in het geval van appellante geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. In zijn uitspraak van 2 oktober 2007, LJN BB5534, heeft de Raad overwogen dat een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van een bijstandsaanvrager/-ontvanger als zodanig geen redelijke grond vormt voor het afleggen van een huisbezoek. In de omstandigheid dat er eerder onderzoek is geweest naar de woonsituatie van appellante (de laatste keer in 1996) en dat daarna naar het oordeel van het College twijfel is blijven bestaan omtrent die woonsituatie, ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel.

4.4. Uit het verslag van het huisbezoek en de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen is naar het oordeel van de Raad weliswaar komen vast te staan dat de betreffende medewerkers van appellante vooraf uitdrukkelijk toestemming hebben verkregen voor het binnentreden, doch niet is aangetoond dat zij appellante er op hebben gewezen dat het weigeren van medewerking geen directe gevolgen voor de verlening van bijstand zal hebben. Daardoor heeft het College niet aangetoond dat de medewerkers zijn binnengetreden na voorafgaand “informed consent” van appellante.

4.5. De Raad komt op grond van het voorafgaande tot de conclusie dat sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van appellante. De tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten daarom worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs.

4.6. Volgens vaste rechtspraak is het gebruik van (onrechtmatig) verkregen bewijs slechts dan niet toegestaan indien de daartoe gebezigde bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De Raad is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. De Raad verwijst in dit verband kortheidshalve naar de rechtsoverwegingen onder punt 7 van zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410. De resultaten van het onderhavige huisbezoek dienen dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. Ander bewijs op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat appellante haar inlichtingenverplichting wegens het bestaan van een gezamenlijke huishouding heeft geschonden is niet voorhanden.

4.7. Uit hetgeen onder 4.3. tot en met 4.6. is overwogen volgt dat het besluit van 16 november 2006 op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust en daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 16 november 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 7 september 2006 te herroepen, nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

4.8. Als gevolg van het door het College gehandhaafde besluit van 7 september 2006 heeft appellante vertragingsschade geleden voor zover niet tijdig algemene bijstand aan haar is betaald vanaf 19 juni 2006. Op de gemeente Groningen rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Als uitgangspunt geldt daarbij dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is ten onrechte geen bijstand betaald vanaf

19 juni 2006, zodat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze periode wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 augustus 2006, en over de daarop volgende maanden telkens een maand later. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden betaald tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

4.9. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante in verband met het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2006 en in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.932,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 november 2006;

Herroept het besluit van 7 september 2006;

Veroordeelt de gemeente Groningen tot vergoeding van schade als hiervoor in 4.8. is aangegeven;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante in bezwaar en in de proceskosten tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente Groningen;

Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 september 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

OA