Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF4363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
07/4420 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Beleid. Dringende redenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4420 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2007, 07/641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2008. Voor appellante is verschenen mr. R.R.P. Adema, advocaat te Arnhem. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar echtgenoot [naam echtgenoot] ontvingen met ingang van 17 januari 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van een gerechtelijk vooronderzoek naar appellante en haar echtgenoot heeft de sociale recherche van de gemeente Renkum een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hen verleende bijstand. Op basis van dit onderzoek heeft het College geconcludeerd dat appellanten onroerend goed hebben bezeten in Kosovo, dat zij van dit bezit noch bij de aanvang van de verlening van bijstand noch nadien mededeling aan het College hebben gedaan, en dat zij dit onroerend goed in 2002 hebben verkocht, waarvan evenmin mededeling is gedaan.

1.2. Bij besluit van 2 februari 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2004, heeft het College de bijstand over de periode van 17 januari 2000 tot en met 16 april 2001 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 22.424,40 van appellante en haar echtgenoot teruggevorderd.

1.3. Bij uitspraak van 24 maart 2005 heeft de rechtbank het besluit van 27 mei 2004 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Bij uitspraak van 7 september 2006, LJN AY8953, heeft de Raad, onder vernietiging van de uitspraak van de rechtbank in zoverre, het besluit van 2 februari 2004 herroepen voor zover het de intrekking betreft en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het de terugvordering betreft. Daartoe heeft de Raad overwogen - kort samengevat - dat er gezien de situatie in Kosovo geen toereikende grondslag bestaat voor het standpunt dat appellante en haar echtgenoot reeds in de genoemde periode beschikten dan wel redelijkerwijs konden beschikken over het onroerend goed en daarmee over vermogen boven de vermogensgrens. De bijstand is dan ook ten onrechte op die grond ingetrokken en uit hoofde van die intrekking teruggevorderd. Wel doet zich de situatie voor dat appellante en haar echtgenoot naderhand met betrekking tot die periode over in aanmerking te nemen middelen beschikten of konden beschikken. Dit betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd is om tot terugvordering over te gaan, zonder dat daartoe een voorafgaand besluit tot intrekking van de bijstand is vereist. Daarbij mag het College echter niet komen tot terugvordering van een bedrag hoger dan € 22.424,40, aldus de Raad.

1.4. Op 18 september 2006 is de echtgenoot van appellante overleden.

1.5. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 7 september 2006 heeft het College bij het thans bestreden besluit van 7 december 2006 opnieuw op het bezwaar beslist en, voor zover thans nog van belang, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van 17 januari 2000 tot en met 14 november 2001 tot een bedrag van € 22.424,40 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Gelet op hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 7 september 2006 heeft overwogen, was het College op zichzelf bevoegd om tot de terugvordering te besluiten.

4.2. Het College voert het beleid, neergelegd in de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand van de gemeente Renkum, dat van terugvordering (slechts) wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 113,45 of indien daarvoor een dringende reden aanwezig is. De Raad is van oordeel dat dit beleid, ook voor zover het betreft de terugvordering van kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in dit geval sprake is van een dringende reden in vorenbedoelde zin. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat de koper van het onroerend goed ongedaanmaking van de koop verlangt en haar echtgenoot met de dood heeft bedreigd. Voor de juistheid van deze stellingen heeft zij evenwel geen begin van bewijs geleverd. Voor het overige heeft appellante gewezen op de moeilijke positie waarin zij, als vluchtelinge die jarenlang in een asielzoekerscentrum heeft moeten verblijven en na het overlijden van haar echtgenoot, hier te lande verkeert. Zij spreekt de taal niet, haar echtgenoot regelde altijd alles en aan zijn zaken heeft zij part noch deel gehad. Ook deze omstandigheden zijn echter niet als dringende redenen in de zin van het beleid aan te merken. De Raad stelt dan ook vast dat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld.

4.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad evenmin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

4.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 september 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.

IJ