Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
06-5900 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Opleidingsniveau. Beheersing Nederlandse taal. Proceskosten veroordeling.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 9a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5900 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 augustus 2006, 06/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, op dat moment in een omvang van 15 uur per week werkzaam als schoonmaakster, is op 16 augustus 1999 uitgevallen met knieklachten en gevoelens van somberheid. Met ingang van 14 augustus 2000 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 9 juni 2005 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 augustus 2005 ingetrokken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.1. Het tegen evenvermeld besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 14 februari 2006.

3.1. Nadat appellante beroep had ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2006, heeft het Uwv een nader besluit genomen, gedateerd 31 mei 2006, bij welk besluit het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2005 alsnog gegrond is verklaard, appellante op en na 2 augustus 2005 ongewijzigd arbeidsongeschikt is geacht naar een mate van 80 tot 100% en de uitkering andermaal is ingetrokken, dit keer met ingang van 1 augustus 2006.

3.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante met toepassing van artikel 6:18 en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 31 mei 2006, hierna: het bestreden besluit.

3.3. De rechtbank heeft overwogen dat door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende rekening is gehouden met de, met name op kniebelastende factoren en psychische belasting betrekking hebbende, beperkingen van appellante. Die verzekeringsartsen hebben in hun oordeelsvorming ook informatie betrokken, afkomstig van de huisarts en de behandelend orthopedisch chirurg van appellante.

3.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft, aldus de rechtbank, voorts aangegeven dat appellante in beroep voor het eerst ook melding heeft gemaakt van heup- en schouderklachten. Bij onderzoek zijn evenwel geen imponerende afwijkingen met betrekking tot de heupfunctie gevonden, terwijl schouderklachten, bij ontstentenis van enige eerdere klacht, niet zijn onderzocht. Artrose van heup en schouder worden evenwel in de gegevens van de huisarts en de specialist in het geheel niet genoemd. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.

3.5. De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is naar het oordeel van de rechtbank met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2006 voldoende gemotiveerd.

3.6. Ook overigens, wat betreft de daaraan verbonden opleidingsvereisten, heeft de rechtbank de functies als voor appellante geschikt beoordeeld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante in Turkije de lagere school heeft gevolgd en aansluitend een aanvang heeft gemaakt met vervolgonderwijs, welke opleiding werd afgebroken door vertrek naar Nederland. In Nederland heeft appellante, zo overwoog de rechtbank voorts, drie jaren schakelonderwijs gevolgd. In het licht hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat het opleidingsniveau van appellante voldoende moet worden geacht voor de geduide functies. Dat de functies niet geschikt zouden zijn vanwege een slechte beheersing van de Nederlandse taal, heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht, in welk verband de rechtbank heeft overwogen dat appellante in Nederland drie jaar onderwijs heeft genoten en in Nederland werkzaamheden heeft verricht.

3.7. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Overwogen is nog door de rechtbank dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

4.1. In hoger beroep is namens appellante in de eerste plaats naar voren gebracht dat zij, wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit, zich het recht voorbehoudt in een later stadium nog gronden aan te voeren.

4.2. Voorts is, wat betreft de arbeidskundige grondslag van de schatting, de stelling gehandhaafd dat ten aanzien van het bij appellante te hanteren functie- en opleidingsniveau haar mogelijkheden te hoog zijn ingeschat. Haar opleidingsniveau zou op 1 in plaats van op 2 dienen te worden gesteld. Daarbij komt nog, zo is wederom gesteld, haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal.

4.3. Daarnaast is namens appellante naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd het Uwv te veroordelen tot betaling van proceskosten, waaronder appellante tevens begrijpt het betaalde griffierecht.

5.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat namens appellante in hoger beroep geen grieven meer zijn aangevoerd inzake de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad heeft, mede gelet hierop, geen aanknopingspunten gevonden om met betrekking tot die grondslag tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad kan zich verenigen met de ter zake door de rechtbank gegeven overwegingen en het door haar daarop gegronde oordeel, als hiervoor in samenvatting weergegeven.

5.2. De Raad stelt zich eveneens achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De passendheid van de functies in medisch opzicht is in hoger beroep niet bestreden, en de Raad heeft geen aanleiding om het ervoor te houden dat de belasting in de functies de voor appellante vastgestelde belastbaarheid te boven zou gaan.

5.3. Namens appellante is in hoger beroep wel expliciet staande gehouden dat de functies wat betreft het daaraan verbonden opleidingsniveau te hoog gegrepen zijn voor haar. De Raad kan zich ook met betrekking tot dit aspect vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. Ook voor de Raad staat genoegzaam vast dat appellante, gegeven het feit dat zij in Turkije lager onderwijs heeft genoten en in Nederland gedurende 2 dan wel 3 jaar - dit is niet geheel duidelijk - een schakelklas heeft gevolgd, voldoet aan het voor de functies gevraagde opleidingsniveau 2, voor welk niveau geldt dat lager onderwijs moet zijn voltooid.

5.4. Wat betreft de taalvaardigheid overweegt de Raad dat appellante meer dan 20 jaar in Nederland is, en mede uit dien hoofde geacht moet worden te beschikken over de - bescheiden - vaardigheden die in de functies worden gevraagd inzake beheersing van de Nederlandse taal.

5.5. De bezwaararbeidsdeskundige wijst in dit verband voorts terecht op het bepaalde in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarin, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, is bepaald dat onder de bij een schatting in aanmerking te nemen algemeen geaccepteerde arbeid mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, waaronder ten minste wordt verstaan mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. In artikel 1 van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2004, Stcrt. 2004, 182, houdende nadere regels betreffende bekwaamheden die algemeen gebruikelijk zijn als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, is bedoelde mondelinge beheersing van het Nederlands aldus nader uitgewerkt dat daaronder wordt begrepen: het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor - gelijk in het onderhavige geval - geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is.

5.6. Uit het bovenstaande volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

5.7. Wel slaagt de grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en tevens heeft verzuimd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht. Het Uwv heeft immers, nadat appellante beroep had ingesteld tegen het besluit van 14 februari 2006, dat besluit niet gehandhaafd, en in plaats daarvan het bestreden besluit genomen. De Raad zal, doende in zoverre wat de rechtbank had behoren te doen, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv veroordelen in de aan de zijde van appellante in beroep gevallen proceskosten, ten bedrage van € 644,-. Tevens dient het door appellante in beroep betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.

5.8. In verband hiermee bestaat tevens aanleiding voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb van de proceskosten van appellante in hoger beroep, ten bedrage van

€ 322,-.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, in zoverre de rechtbank heeft verzuimd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 38,- vergoedt;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.