Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF1880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
07-4708 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4708 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige Kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Naam verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 april 2007, 06/135, 06/295, 06/298, 06/2076, 06/2077, 06/5441 en 06/5444,

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

het College van bestuur van [universiteit] (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 april 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.D.A. Bos, advocaat te Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend

waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak

zouden hebben kunnen leiden.

2. De Raad heeft bij uitspraak van 12 april 2007 de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2005, 04/2404 en 05/135, bevestigd en tevens beslist op een tweetal beroepen van verzoeker tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar en op een beroep van verzoeker tegen een besluit, genomen ter uitvoering van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Arnhem.

3.1. Verzoeker heeft aangevoerd dat in de uitspraak van 12 april 2007 ten onrechte is overwogen dat verzoeker (in die uitspraak als betrokkene aangeduid) zich niet richt tegen dat onderdeel van het besluit van 10 augustus 2006, waarbij zijn bezwaar tegen een besluit van 30 juni 2005 niet-ontvankelijk is verklaard en daarbij verwezen naar de door zijn gemachtigde op 31 oktober 2006 bij de Raad ingediende nadere gronden.

3.2. In reactie op een brief van verzoeker van 8 juli 2007, waarin hij om verduidelijking van een aantal punten in de uitspraak van 12 april 2007 vraagt, heeft de Raad verzoeker bericht dat ook zijn brief van 8 juli 2007 in de herzieningsprocedure wordt betrokken. Verzoeker heeft vervolgens met een brief van 8 oktober 2007 diverse stukken aan de Raad gezonden met betrekking tot een drietal door hem ingediende klachten tegen drie werknemers van [universiteit] (hierna: universiteit) en in aansluiting daarop gesteld dat als het college tijdens de zitting van de Raad op 1 maart 2007 naar waarheid had gezegd dat zijn ontslag onlosmakelijk verband hield met de beoordeling van zijn functioneren, in plaats van het tegendeel te doen voorkomen, dit de Raad tot een andere uitspraak had kunnen leiden.

4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.2. Blijkens de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, is aan verzoeker bij besluit van 28 mei 2004 meegedeeld dat zijn dienstverband met ingang van 1 september 2004 van rechtswege eindigt. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 7 september 2004 (hierna: besluit 1) gehandhaafd. Nadat bij besluit van 10 mei 2005 een omtrent het functioneren van verzoeker vastgestelde beoordeling was ingetrokken, heeft verzoeker het college gevraagd om terug te komen van besluit 1. Dit verzoek is bij besluit van 30 juni 2005 (hierna: besluit 2) afgewezen. De rechtbank heeft bij de uitspraak van

17 november 2005 het beroep van verzoeker tegen besluit 1 op formele gronden gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

4.3. Verzoeker heeft bij de Raad beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank en bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen besluit 2. Laatstgenoemd beroep is doorgezonden naar de Raad. Het college heeft vervolgens bij besluit van 10 augustus 2006 (hierna: besluit 3) het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2004 wederom ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

4.4. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd, het beroep van verzoeker tegen het uitblijven van de twee beslissingen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2004 op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken en dat beroep op formele gronden gegrond verklaard, besluit 3 in zoverre vernietigd, en de rechtsgevolgen van besluit 3, voor zover vernietigd, in stand gelaten. De Raad heeft daartoe overwogen dat het feit dat de beoordeling omtrent het functioneren van verzoeker bij besluit van 10 mei 2005 is ingetrokken er niet aan in de weg staat dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet heeft voldaan aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen. De Raad heeft daarbij tevens opgemerkt dat feiten en omstandigheden die aan de beoordeling ten grondslag zijn gelegd op zichzelf nog wel een rol kunnen spelen in een procedure als die, welke de Raad toen afwikkelde, mits die feiten en omstandigheden - anders dan op grond van die beoordeling - in rechte voldoende komen vast te staan. De Raad heeft onder verwijzing naar haar eerdere overwegingen geconstateerd dat dat het geval was.

4.5. Anders dan verzoeker meent, is zijn ontslag door de Raad beoordeeld in relatie tot zijn wijze van functioneren. Van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.

4.6. De grief van verzoeker betreffende de vaststelling door de Raad in de uitspraak van 12 april 2007 dat verzoeker zich niet richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen besluit 2, is evenmin gebaseerd op een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het gaat hier om de vaststelling door de Raad van de omvang van het geding in hoger beroep. Die vaststelling - zo merkt de Raad ten overvloede op - is gegrond op de behandeling ter zitting van de Raad van 1 maart 2007 van de vraag van het procesbelang van verzoeker op dit punt en het door verzoeker(s raadsman) daarover ingenomen standpunt.

5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.J.A. Reinders.

HD