Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF1871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
07-3406 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten onrechte uitbetaalde vergoeding. Redelijkerwijs duidelijk dat, vanwege de plaatsgevonden opheffing van Commissie en het daarmee samenhangende einde van de werkzaamheden, de daaraan gekoppelde toelage werd beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3406 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 juni 2007, 06/5223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 11 september 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 07/648 tussen [naam appellant 2], wonende te [woonplaats], en de minister. Appellanten zijn verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Zielhorst, werkzaam bij het Expertisecentrum Arbeidsjuridisch voor de Rijksoverheid. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In deze zaak wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Ingevolge de ministeriële beschikking van 11 februari 1963, nr. 24640, was er binnen het rechtsgebied van ieder der gerechtshoven een commissie die tot taak heeft in de gevallen, bedoeld in de artikelen 13, 14 en 17 van de Woonruimtewet 1947, in hoogste ressort bepaalde vaststellingen te doen [naam commissie], hierna: [naam commissie]). Verder werd bepaald - voor zover hier van belang - dat de [naam commissie] leden heeft die door de minister worden benoemd en dat de minister voor elke commissie een [naam functie] benoemt die geen lid is van de commissie, en die door de minister weer kan worden ontslagen. Aan de [naam functie] kon een door de minister vast te stellen toelage worden toegekend. De beslissingen van de [naam commissie] dienden door de [naam functie] op schrift te worden gesteld en door de voorzitter en de [naam functie] te worden ondertekend, aldus de beschikking.

1.2. De minister heeft bij besluit van 8 juni 1986 appellant, werkzaam als [naam functie] bij het gerechtshof [naam ressort], met ingang van 1 september 1985 benoemd tot [naam functie] van de [naam commissie] in het ressort [naam ressort] en hem een honorarium van f 2.000,- per jaar toegekend. Dat honorarium is nadien verhoogd, overeenkomstig de stijging van de ambtenarensalarissen.

1.3. Op grond van artikel 91, derde lid, van de Huisvestingswet (wet van 1 oktober 1992, Stb. 545, en in werking getreden op 1 juli 1993) bleven de artikelen 13 en 14 van de bij die wet ingetrokken Woonruimtewet 1947 voor een tijdsduur van 10 jaren van toepassing. Hiermee was het voortbestaan van de [naam commissie] eveneens in de tijd begrensd.

1.4. Met een op 9 maart 2004 verzonden brief heeft de minister appellant bericht dat de [naam commissie] met ingang van

1 juli 2003 van rechtswege opgehouden is te bestaan en dat hij de afsluiting van de werkzaamheden van de commissie niet ongemerkt voorbij wil laten gaan, reden waarom aan appellant de erkentelijkheid voor zijn bijdrage aan de werkzaamheden van de [naam commissie] kenbaar wordt gemaakt.

1.5. Bij besluit van 5 december 2005 heeft de minister, onder verwijzing naar de in 1.4 genoemde brief, appellant laten weten dat deze wegens de ontbinding van de [commissie], sinds 1 maart 2004 niet meer in aanmerking komt voor een vergoeding, dat hij heeft vastgesteld dat appellant nog steeds de vergoeding ontvangt en dat hij van appellant de dus ten onrechte betaalde vergoeding over de periode van maart 2004 tot en met oktober 2005 ten bedrage van € 2.109,- terugvordert.

1.6. De minister heeft bij het bestreden besluit van 1 mei 2006 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Partijen zijn het er, mede in het voetspoor van de rechtbank, inmiddels over eens dat appellant in zijn functie van [naam functie] van de [naam commissie] was aangesteld als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet. De Raad volgt partijen hierin, gelet op hetgeen onder 1.1 met betrekking tot de [naam commissie] en de plaats en taak van appellant daarin is beschreven.

3.2. Met de brief van maart 2004 is beoogd het einde van de aanstelling van appellant bij het ministerie van VROM te markeren. Wat daar verder ook van zij, appellant heeft uit die brief in ieder geval redelijkerwijs moeten begrijpen dat, vanwege de plaatsgevonden opheffing van de [naam commissie] en het daarmee samenhangende einde van de werkzaamheden, de daaraan gekoppelde toelage werd beëindigd. Het door appellant tot maart 2004 genoten honorarium was immers onmiskenbaar verbonden met (de beschikbaarheid voor) het uitoefenen van de functie van [naam functie] van de [naam commissie]. Toen de [naam commissie] en daarmee de functie van appellant - die daarvan op de hoogte was - per 1 augustus 2003 was opgehouden te bestaan, moest appellant redelijkerwijs begrijpen dat geen aanspraak meer bestond op de toelage.

3.3. De minister heeft dus onverschuldigd aan appellant betaald, zodat hij bevoegd was tot terugvordering van hetgeen over de periode van 1 maart 2004 tot en met 1 oktober 2005 is betaald. De Raad is voorts van oordeel dat de minister, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten het onverschuldigd betaalde bedrag ad € 2.109,- geheel terug te vorderen.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD