Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
07-889 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting? Eigen vermogen. Juiste grondslag? Trage besluitvorming. Terugvorderingsbesluit ondeelbaar. Terugvorderingsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/889 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2007, 06/3837 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna College)

Datum uitspraak: 22 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P-P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tummers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 maart 1994 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van rentesignalen van de Belastingdienst, heeft het College onder meer bij brieven van 2 juli 2004 en 12 oktober 2004 aan appellante gevraagd inlichtingen te verstrekken over op haar naam staande bankrekeningen. Uit de verstrekte inlichtingen is, zo blijkt uit een ambtelijke rapportage van 12 november 2004, naar voren gekomen dat appellante beschikte over drie bankrekeningen in Nederland die zij niet heeft gemeld aan het College.

1.2. Naar aanleiding van de hiervoor bedoelde rapportage heeft de sociale recherche nader onderzoek verricht. De betaling van de bijstand aan appellante is feitelijk stopgezet met ingang van 1 januari 2006. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 maart 2006.

1.3. Bij besluit van 12 april 2006 heeft het College op basis van de onderzoeksbevindingen de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2005 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 93.763,94.

1.4. Bij besluit van 13 november 2006 heeft het College het tegen het besluit van 12 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met verbetering van gronden in die zin, dat de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 16 april 2006 wordt ingetrokken en de over de periode van 1 juli 1997 tot 16 april 2006 (lees: 1 januari 2006) gemaakte kosten van bijstand van appellante worden teruggevorderd. Het bedrag van de terugvordering is niet gewijzigd. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante gedurende de in geding zijnde periode heeft beschikt over vermogen, bestaande uit tegoeden op drie bankrekeningen in Nederland en op twee bankrekeningen in Marokko boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen, en dat appellante over haar banktegoeden geen dan wel onvolledige inlichtingen heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

13 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellante de drie in de aangevallen uitspraak genoemde bankrekeningen, waarvan er één is geopend in 1996, niet uit eigen beweging heeft gemeld aan het College. Het bestaan van deze bankrekeningen op naam van appellante is pas gebleken na een belastingsignaal en nadat het College daarover (in de loop van 2004) aan appellante om opheldering had gevraagd. Daarbij is vervolgens gebleken dat appellante eveneens heeft verzwegen dat er twee bankrekeningen in Marokko op haar naam stonden. Het gaat hier, mede gelet op de omvang van de banktegoeden, om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van belang waren voor (de omvang van) haar recht op bijstand. Door van deze bankrekeningen geen mededeling te doen aan het College, heeft appellante de (achtereenvolgens) ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft die schending ook plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan 25 november 1998. Het feit dat zich in het procesdossier geen inkomstenformulieren betreffende die periode bevinden - waarop appellante de bankrekeningen had kunnen vermelden - is daarvoor onvoldoende. Appellante had die bankrekeningen ook uit eigen beweging, zo nodig op een andere manier dan met behulp van een inkomsten- of een rechtmatigheidsformulier, aan het College moeten melden.

4.2. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandsontvanger een tegoed bevat de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft weliswaar aangevoerd dat de tegoeden aan een ander toebehoorden of voor een ander waren bestemd, maar dit standpunt wordt uitsluitend ondersteund door verklaringen van familieleden. Een objectieve en verifieerbare onderbouwing van dit standpunt, in het bijzonder met betrekking tot de herkomst van de gelden, ontbreekt. De rechtbank heeft op basis van de beschikbare gegevens voorts terecht geconstateerd dat appellante ook feitelijk over delen van de banktegoeden van de Nederlandse bankrekeningen heeft beschikt. Dat het daarbij, zoals appellante stelt, uitsluitend zou gaan om geleend geld, is voor de Raad niet aannemelijk geworden.

4.3. Op grond van de gedingstukken, waaruit de datum van opening en de saldi van de bankrekeningen gedurende de periode van 1 juli 1997 tot 16 april 2006 blijken, staat voor de Raad vast dat appellante met de tegoeden op deze bankrekeningen steeds heeft beschikt over een vermogen boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Dit betekent dat zij gedurende deze periode geen recht had op bijstand, en dat aan haar gedurende deze periode dus ten onrechte bijstand is verleend. Anders dan het College heeft aangenomen, is de Raad van oordeel dat slechts voor het tijdvak tot en met 12 november 2004 geldt dat dit het gevolg is van de hiervoor vastgestelde inlichtingenverplichting. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante in oktober 2004 inlichtingen over een drietal bankrekeningen heeft verstrekt. Het College kon op basis van de toen beschikbare gegevens over de saldi van die bankrekeningen, zoals blijkend uit de ambtelijke rapportage van 12 november 2004 (ook al waren toen nog niet alle bankafschriften aanwezig), reeds op die datum vaststellen dat sprake was van banktegoeden waarvan het totaal ruimschoots lag boven de voor appellante geldende vermogensgrens. Dat het College nader onderzoek diende te verrichten, onder meer naar de vraag of, en zo ja in hoeverre, de tegoeden wel tot het vermogen van appellante dienden te worden gerekend, brengt niet met zich dat moet worden geoordeeld dat ook de voortzetting van de bijstand vanaf 12 november 2004 het gevolg is van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante. Het College had voor zover nodig gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om, hangende het onderzoek, de betaling van de bijstand te blokkeren dan wel het recht op bijstand op te schorten.

4.4. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 12 november 2004 in te trekken. Aan de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 12 november 2004 is deze bepaling echter ten onrechte ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 november 2006 in zoverre vernietigen. De Raad ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van dat besluit in stand te laten. Het College was wel bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB over de periode van 13 november 2004 tot 16 april 2006 in te trekken.

4.5. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om over te gaan tot intrekking van de bijstand over de gehele in geding zijnde periode.

4.6. Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering over te gaan.

4.7. Het College heeft met betrekking tot gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid beleidsregels vastgesteld, die met ingang van 1 januari 2006 in werking zijn getreden. In die beleidsregels is bepaald dat in het geval ten onrechte uitkering is verstrekt omdat de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen wordt teruggevorderd tenzij sprake is van kruimelgevallen of van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.8. Wat de periode tot 12 november 2004 betreft heeft het College gehandeld overeenkomstig deze, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van deze beleidsregel had moeten afwijken door geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.9. Wat de periode van 12 november 2004 tot en met 31 december 2005 betreft oordeelt de Raad als volgt. In de beleidsregels is onder het kopje “Afzien van terugvordering” over de toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB onder meer het volgende bepaald: “Het college ziet af van terugvordering voor zover:

- de gemeente nadat de belanghebbende een signaal heeft afgegeven dat de bijstand tot een te hoog bedrag of ten onrechte wordt betaald, is doorgegaan met het, tot een te hoog bedrag of ten onrechte, verstrekken van bijstand en

- de terugvordering betrekking heeft op een periode langer dan zes maanden nadat de belanghebbende dat signaal heeft afgegeven.”

4.10. Mede in aanmerking genomen hetgeen de Raad hiervoor bij de bespreking van de intrekking onder 4.3 heeft overwogen over de periode vanaf 12 november 2004, is de Raad van oordeel dat de door appellante in oktober en november 2004 gegeven inlichtingen met het hiervoor bedoelde signaal gelijk moeten worden gesteld. Dat appellante toen zelf vond dat zij niet ten onrechte bijstand ontving - omdat het volgens haar niet om haar eigen vermogen ging - doet daaraan niet af.

4.11. De zojuist genoemde beleidsregel voorziet er in wezen in dat het College een periode van zes maanden heeft om (nader) onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Het College heeft evenwel voor dat onderzoek in dit geval veel langer de tijd genomen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg gehad dat het bedrag van de terugvordering onnodig is opgelopen. Toepassing van de beleidsregel had er in dit geval toe moeten leiden dat het College de terugvordering had moeten beperken tot hetgeen tot 12 mei 2005 aan bijstand betaalbaar is gesteld.

4.12. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat de terugvordering van de bijstand alleen over de periode van 1 juli 1997 tot 12 mei 2005 stand kan houden. Aangezien een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het terugvorderingsbesluit van 13 november 2006 wegens strijd met de artikelen 4:84 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het College opdragen met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen, Bij de hoogte van het terug te vorderen bedrag over de periode van 13 november 2004 tot 12 mei 2005 zal het College tevens acht dienen te slaan op hetgeen in de uitspraak van de Raad van 28 november 2006, LJN AZ3437, inzake de toepassing van artikel 58, vierde lid, van de WWB is overwogen.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 november 2006 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 12 november 2004 tot 16 april 2006 en de terugvordering geheel;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het betreft de intrekking;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de terugvordering;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.288,--, te betalen door de gemeente Nijmegen;

Bepaalt dat de gemeente Nijmegen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en

C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR