Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
07/3534 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WW-uitkering, aangezien recht op ziekengeld. Terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Geen dringende reden af te zien van terugvordering. Raad voorziet zelf in de zaak door bedrag vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3534 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 mei 2007, 06/3054 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv op 6 mei 2008 en 3 juni 2008 nadere informatie aan de Raad verstrekt. Appellant heeft desgevraagd op 9 mei 2008 en 2 juli 2008 nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Namens appellant is mr. Huisman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan appellant is met ingang van 30 juni 2000 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 17 november 2005 is appellant meegedeeld dat hij met ingang van 30 juni 2000 geen recht had op een WW-uitkering, aangezien hij recht had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet. Het Uwv heeft daarbij een bedrag van € 3.352,36 (bruto) van appellant teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde WW-uitkering in de periode van 26 juni 2000 tot en met 19 november 2000 en in de periode van 8 januari 2001 tot en met 10 december 2004. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van

20 februari 2006 heeft het Uwv de terugvordering beperkt tot een bedrag van € 2.782,44 (bruto). Dit betreft de periode van 20 juni 2000 tot en met 20 september 2000. Bij besluit van 30 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en de periode waarop de terugvordering betrekking heeft beperkt tot de periode van 30 juni 2000 tot en met 22 september 2000. In deze periode is volgens het Uwv aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 3.257,70 (bruto) aan WW-uitkering betaald. Het Uwv volstaat, gelet op de eerdere mededelingen aan appellant, met een terugvordering van € 2.782,44 (bruto).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv meegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, nu het daarin teruggevorderde bedrag van € 2.782,44 (bruto) hoger is dan het bedrag van € 2.718,64 dat volgens het Uwv - bij nader inzien - onverschuldigd aan appellant is betaald. Het Uwv heeft de Raad verzocht de hoogte van de terugvordering op € 2.718,64 vast te stellen.

4.2. Gelet op dit nadere standpunt van het Uwv komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. In het verlengde hiervan komt ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

4.3. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en het terug te vorderen bedrag wegens onverschuldigd betaalde WW-uitkering in de periode van 30 juni 2000 tot en met 22 september 2000 vast te stellen op € 2.718,64 (bruto). Daartoe overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft erkend dat het Uwv dit bedrag aan WW-uitkering teveel heeft betaald en dat het Uwv op grond van de dwingendrechte-lijke bepaling van artikel 36, eerste lid, van de WW verplicht is dit bedrag van appellant terug te vorderen. De Raad ziet in hetgeen door appellant naar voren is gebracht geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ook acht de Raad daarin geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv wegens strijd met het ongeschreven recht had moeten afwijken van artikel 36, eerste lid, van de WW. Met name is de Raad niet gebleken van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat de onverschuldigd betaalde WW-uitkering is verrekend met het nabetaalde zieken-geld, zodat het door appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel niet opgaat. De Raad merkt tenslotte nog op dat de vraag of het Uwv aan appellant voldoende ziekengeld heeft nabetaald, anders dan appellant meent, in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,- in bezwaar, op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep, derhalve in totaal op € 1.610,-, wegens verleende rechtsbijstand. De Raad is van oordeel dat de door appellant gemaakte kosten van € 50,- voor het opvragen van zijn bankafschriften, gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Stelt het terug te vorderen bedrag wegens onverschuldigd betaalde WW-uitkering in de periode van 30 juni 2000 tot en met 22 september 2000 vast op € 2.718,64 (bruto);

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.

HD