Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
07/4120 AW + 07/4121 AW + 07/4122 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsregeling functioneel leeftijdsontslag. Individuele ambtenaren ontlenen rechtspositionele aanspraken niet (rechtstreeks) aan een arbeidsvoorwaardenakkoord. Ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd door als uitgangspunt te hanteren dat alleen bij hen die op 1 januari 2000 45 jaar of ouder zijn, een schrijnend geval kan worden aangenomen? Noodzakelijkheidsvereiste.

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 3
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4120 AW, 07/4121 AW en 07/4122 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Naam appellant 1], wonende te [woonplaats 1],

[Naam appellant 2], wonende te [woonplaats 2],

[Naam appellant 3], wonende te [woonplaats 3], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2007, 05/2770, 05/2771, 05/2828, 05/2924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 21 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld en het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Voor appellanten is verschenen mr. R.F. van der Ham, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn allen werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat in de functie van [naam functie] bij de divisie [naam divisie] van de inspectie Verkeer en Waterstaat. Voor ambtenaren in deze functie was tot 1 januari 2000 de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (hierna: FLO-regeling) van toepassing. Op grond van die regeling bestond bij het vervullen van een functie als die van appellanten uitzicht op functioneel leeftijdsontslag bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd.

1.2. Ter uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999-2000 is met ingang van 1 januari 2000 de FLO-regeling vervangen door een ontslagmogelijkheid voor functies waaraan substantieel bezwarende elementen zijn verbonden. Voor de functies, waaronder ook de functie van appellanten, waarop voorheen de FLO-regeling van toepassing was, maar die na herijking niet zijn aangemerkt als substantieel bezwarend, is met het Besluit overgangsrecht FLO-functies (hierna: FLO-overgangs-regeling) van 13 november 1999, Stb. 492, in verband met de intrekking van de FLO-regeling, een overgangsvoorziening getroffen.

1.3. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de FLO-overgangsregeling gaat het ontslag voor de ambtenaar, die op 1 januari 2000 55 jaar of jonger was, zoveel maanden eerder in dan zijn ontslag op zijn 65ste jaar, als het aantal jaren, dat de ambtenaar voor 1 januari 2000 een of meer functies waaraan een leeftijdsgrens was verbonden op grond van artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de FLO-overgangsregeling, zonder wezenlijke onderbreking heeft vervuld, vermenigvuldigd met een factor 2, met een maximum van 60 maanden.

1.4. Omdat, gelet op de bij de divisie [naam divisie] gehanteerde functie-eis van minimaal tien jaar ervaring in het bedrijfsleven, de bij die divisie werkzame onder de FLO-overgangsregeling vallende functionarissen naar het oordeel van het bevoegde gezag door de beperkte - op de duur van het ambtelijk dienstverband toegespitste - strekking van de FLO-overgangsregeling onevenredig in hun belang werden getroffen, is specifiek voor die categorie van medewerkers een aanvullende voorziening voor “schrijnende gevallen” getroffen. De vaststelling van schrijnende gevallen geschiedt aan de hand van (vier) door het bevoegde gezag geformuleerde uitgangspunten. Ingevolge het derde uitgangspunt wordt alleen bij hen die op 1 januari 2000 45 jaar of ouder waren een schrijnend geval aangenomen.

1.5. Bij besluiten van onderscheidenlijk 26 augustus 2004 ([appellant 2] en [appellant 3]) en 6 september 2004 ([appellant 1]) heeft de minister ten aanzien van ieder van appellanten beslist dat geen sprake is van een schrijnend geval, omdat zij allen op 1 januari 2000 jonger waren dan 45 jaar.

1.6. Bij ongedateerde besluiten op bezwaar, door appellanten ontvangen op 28 mei 2005 (hierna: bestreden besluiten) heeft de minister de door appellanten tegen de besluiten van 26 augustus 2004 en 6 september 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de door appellanten tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3.1. Appellanten betogen in hoger beroep primair dat in augustus 2003 een overeenkomst is gesloten tussen de directeur hoofdinspecteur van de divisie [naam divisie] (hierna: DHDS) en de Vakvereniging van Functionarissen Transportveiligheid (hierna: VFT) en dat een regeling tot stand is gekomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de betrokkene op 1 januari 2000 tussen de 40 en 55 jaar oud moest zijn. Appellanten verwijzen in dat verband naar de inhoud van het memo van 18 augustus 2003, waaruit een en ander naar hun mening blijkt. Appellanten mochten er dan ook op vertrouwen dat voor hen de leeftijdsgrens van 40 jaar uitgangspunt was en dat aan hen, nu zij ook aan de overige randvoorwaarden voldoen, de aanvullende voorziening zou worden toegekend. Appellanten blijven voorts van mening dat de DHDS bevoegd was afspraken te maken om (aanvullende) regelingen op rechtspositioneel terrein vast te stellen. Indien en voor zover de DHDS niet bevoegd was, beroepen appellanten zich met verwijzing naar uitspraken van deze Raad en van de Hoge Raad, op het vertrouwensbeginsel.

Subsidiair betogen appellanten dat de minister door het hanteren van een leeftijdsgrens als onderscheidend criterium ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd maakt als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). Appellanten zijn van oordeel dat dit onderscheid niet op redelijke en objectieve gronden berust, zodat de uitzonderingsbepaling van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla niet van toepassing is.

3.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1.1. De Raad ziet uit de gedingstukken naar voren komen dat er in 2002 en 2003 veelvuldig overleg is geweest tussen de DHDS, het hoofd P&O van de divisie [naam divisie] en de VFT over de te hanteren uitgangspunten bij het treffen van een aanvullende voorziening. Op basis van de inhoud van het memo van de DHDS van 18 augustus 2003 kan naar het oordeel van de Raad slechts worden vastgesteld dat in augustus 2003 tussen de DHDS en de VFT overeenstemming is bereikt over een voorstel over de uitgangspunten voor de vaststelling van schrijnende gevallen. Een van de uitgangspunten luidde toen nog dat de betrokkene op 1 januari 2000 tussen de

40 en 55 jaar oud moest zijn.

4.1.2. De Raad stelt voorop dat individuele ambtenaren als appellanten volgens vaste rechtspraak (CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119) rechtspositionele aanspraken niet (rechtstreeks) ontlenen aan een arbeidsvoorwaardenakkoord. Zij ontlenen die aanspraken aan de ter bepaling van hun rechtspositie vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregels alsook aan bevoegdelijk gedane toezeggingen. Dit uitgangspunt geldt te meer in een geval als dit, waar de DHDS niet bevoegd was tot het sluiten van een zodanig akkoord. Uit het slot van het memo van 18 augustus 2003 volgt dat ten aanzien van het voorstel nog instemming diende te worden verkregen van de plaatsvervangend secretaris-generaal. De primaire grief van appellanten slaagt dus niet.

4.2. De Raad ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of de minister ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door als uitgangspunt te hanteren dat alleen bij hen die op 1 januari 2000 45 jaar of ouder zijn, een schrijnend geval kan worden aangenomen.

4.2.1. In artikel 3, aanhef en onder e, van de Wgbla is bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd verboden is bij de arbeidsvoorwaarden. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla is bepaald dat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd niet geldt indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

4.2.2. De Raad stelt allereerst vast dat aan de aanvullende voorziening een legitiem doel ten grondslag ligt, te weten het tegemoetkomen aan de positie van een specifieke categorie onder de FLO-overgangsregeling vallende functionarissen, die door de beperkte strekking van de FLO-overgangsregeling naar het oordeel van de minister onevenredig in hun belang worden getroffen. Aan dit doel ontbreekt ieder oogmerk van verboden onderscheid. Als middel om dit doel te bereiken heeft de minister onder meer het uitgangspunt gehanteerd dat de betrokkenen op 1 januari 2000 tussen de 45 en 55 jaar oud moesten zijn. Ter onderbouwing van het gekozen middel heeft de minister overwogen “dat van een schrijnend geval kan worden gesproken als het uitzicht op FLO-uittreden voldoende concreet is. Het laatste leidt tot het stellen van een ondergrens qua leeftijd. Redelijk is om ervan uit te gaan dat naarmate het FLO-perspectief verder weg is, de zekerheid van het vooruitzicht minder sterk zal zijn. Bovendien biedt een verdere afstand in tijd tot een FLO-tijdstip een betere mogelijkheid om vervangende individuele voorzieningen te treffen.”

4.2.3. Ten aanzien van het gekozen middel stelt de Raad voorop dat de minister, door het hanteren van de litigieuze ondergrens in leeftijd in de aanvullende voorziening voor schrijnende gevallen, een beslissend onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt, nu in artikel 4 van de FLO-overgangsregeling een dergelijke ondergrens niet is gesteld. Het noodzakelijkheidsvereiste brengt gelet op ’s Raads rechtspraak (CRvB 12 juli 2007, LJN BB0073 en TAR 2008, 3) met zich, dat voldoende aannemelijk dient te worden gemaakt dat er geen andere middelen zijn waarmee geen onderscheid wordt gemaakt en waartegen niet uit anderen hoofde overwegende bezwaren bestaan. De minister is daarin niet geslaagd. Bezien tegen de achtergrond van de FLO-overgangs-regeling en gelet op het doel van de aanvullende voorziening zijn, naar het de Raad voorkomt, de overige drie onder 1.4 bedoelde uitgangspunten voldoende als middel om het legitieme doel te bereiken. De Raad ziet niet in waarom noodzakelijkerwijs de vorenbedoelde ondergrens aan de leeftijd zou moeten worden gesteld.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de Wgbla. Gelet hierop komen de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de minister opdracht geven tot het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellanten in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan appellanten in samenhangende zaken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Draagt de minister op nieuwe besluiten op bezwaar te nemen ten aanzien van ieder van appellanten met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan ieder van appellanten het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 352,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

Q