Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
07/1375 AW + 07/1376 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Uitkeringsregeling. Kosten van bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1375 AW en 07/1376 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 januari 2007, 06/2723, 06/2724, 06/3793, 06/3794 en 06/4532 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder en de minister hebben elk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Verstegen, beiden werkzaam bij de politieregio [politieregio]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.O. de Mooij en mr. A.C. Huizenga, beiden werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Appellant, sedert 1 oktober 1974 werkzaam als politieambtenaar, was vanaf 1 oktober 1993 bij de politieregio [politieregio] aangesteld als medewerker [naam functie]. In 1998 heeft de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld naar mogelijke ongewenste contacten van appellant met criminelen. In dat kader is appellant op de hoogte geraakt van een ook in 1995 naar hem ingesteld onderzoek in verband met aanwijzingen van niet integer gedrag. Daarna heeft appellant zich ziek gemeld. Na de afronding van het onderzoek is appellant ingelicht over het ontbreken van aanwijzingen voor door appellant gepleegde strafbare feiten en is hem meegedeeld dat het vertrouwen in hem volledig was hersteld. Appellant is ook gewezen op de noodzaak behoedzaam te zijn met contacten met als crimineel bekend staande personen. Nadien zijn appellant nog verontschuldigingen aangeboden voor de onterechte verdenkingen. Appellant heeft in 1999 zonder succes een re-integratietraject gevolgd om tot (volledige) werkhervatting te komen. In de daarna volgende jaren hebben de contacten tussen appellant(s raadslieden) en de korpsbeheerder in hoofdzaak betrekking gehad op een door appellant gewenste schadeloosstelling voor het aangedane leed en voor de in de achterliggende jaren mislukte sollicitaties naar functies op het niveau van schaal 8, hetgeen volgens appellant veroorzaakt was door de (onterechte) verdenking van de kant van het korps dat appellant niet integer zou zijn.

1.2. In verband met voornemens van de korpsbeheerder om appellant ontslag te verlenen wegens ziekte zijn achtereenvolgens in 2000, 2002 en 2004 zogenoemde functieonge-schiktheidsadviezen uitgebracht. Deze hielden in dat appellant op de voorgenomen ontslagdata nog niet volledig in zijn eigen functie werkzaam zou zijn, maar dat redelijkerwijze wel te verwachten was dat hij binnen een periode van zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum in zijn eigen functie kon terugkeren. In 2005 is naar aanleiding van een ontslagvoornemen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte dan wel wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte nog een vergeefse poging tot het treffen van een minnelijke regeling gedaan.

1.3. Op een verzoek van de korpsbeheerder heeft de minister verzekerd dat hij voor appellant de door de korpsbeheerder voorgestelde (uitkerings)regeling als bedoeld in artikel 95, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) zou treffen. Vervolgens heeft de korpsbeheerder appellant, na een daarop gericht voornemen, bij besluit van 27 april 2006 eervol ontslag verleend op grond van artikel 95, eerste lid, van het Barp. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

1 augustus 2006 ongegrond verklaard (hierna: besluit 1). Kort samengevat was de korpsbeheerder van opvatting dat er een ernstig verstoorde verhouding dan wel impasse was ontstaan, waarvan moest worden aangenomen dat deze niet meer hersteld kon worden.

1.4. De door de minister bij besluit van 6 april 2006 getroffen (uitkerings)regeling is na daartegen gemaakt bezwaar bij besluit van 7 november 2006 gewijzigd onder toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar ten bedrage van

€ 644,- (hierna: besluit 2).

1.5. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Het hoger beroep van appellant strekt primair tot het ongedaan maken van het ontslag en subsidiair tot een royalere (uitkerings)regeling. Tevens meent appellant dat de vergoeding van de kosten van het bezwaar op een hoger bedrag vastgesteld moet worden.

De korpsbeheerder en de minister hebben elk voor hun deel gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4. Het ontslag.

4.1. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat besluit 1 vernietigd dient te worden niet de aanwezigheid van een verstoorde verhouding of een impasse ontkend, maar betoogd dat het aan de korpsbeheerder te wijten valt dat de impasse is ontstaan, omdat de korpsbeheerder verschillende op zijn weg gelegen activiteiten heeft nagelaten te ondernemen. Om die reden acht appellant het ontslag ook prematuur en meent hij dat onvoldoende vaststaat dat herstel van de verhoudingen niet meer mogelijk is.

4.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Appellant is na de mislukte re-integratie in 1999 onafgebroken met ziekteverlof geweest. Het door appellant in de korpsbeheerder verloren vertrouwen is bij hem nimmer teruggekeerd. De weigering van de korpsbeheer-der om de door appellant verlangde genoegdoening toe te kennen voor de onterechte verdenkingen en voor het daardoor aangedane leed is voor appellant steeds een beletsel geweest om de werkrelatie te herstellen. Aangezien de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte niet bereid is geweest tegemoet te komen aan de door appellant gewenste disproportionele genoegdoening, mocht de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad ten tijde van het ontslagbesluit van een onherstelbare situatie uitgaan.

Aan appellants grieven over de onvoldoende re-integratieactiviteiten en het ook in zoverre prematuur verleende ontslag gaat de Raad voorbij, omdat aan deze kwestie geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag of besluit 1 in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad dat thans niet een ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte aan de orde is en dat bovendien (het ontbreken van voldoende) re-integratieactiviteiten geen zichtbare rol heeft gespeeld bij het ontstaan en of voort-bestaan van de verstoorde verhoudingen.

4.3. Het vorenstaande brengt mee dat de Raad van oordeel is dat er een onherstelbare impasse was ontstaan, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant per 1 juni 2006 met toepassing van artikel 95, eerste lid, van het Barp ontslag te verlenen. Aangezien niet gebleken is van gronden waarom de korpsbeheerder geen gebruik had mogen maken van zijn ontslagbevoegdheid, kan besluit 1 in rechte stand houden.

5. De (uitkerings)regeling.

5.1. Ingevolge besluit 2 heeft de minister appellant met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het Barp toegekend (i) tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of tot het moment waarop appellant een nieuwe functie vindt een uitkeringsgarantie van 80% van zijn laatst genoten bezoldiging, verhoogd met 80% van de (gemiddelde) operationele toeslag en zijn overuren over de maanden van 1997 en 1998 waarin deze tot uitbetaling zijn gekomen, (ii) doorberekening van de toekomstige CAO-wijzigingen op het salaris, (iii) pensioenopbouw van 50%, (iv) een eenmalige bijdrage in de kosten van rechtskundige bijstand ten bedrage van € 7.500,- en (v) een bedrag van € 10.000,- ten behoeve van een herplaatsingstraject. Tot deze regeling heeft de minister besloten op basis van het geheel aan omstandigheden dat zich ten aanzien van appellant heeft voorgedaan.

5.2. Appellant is van opvatting dat de korpsbeheerder als enige verantwoordelijk is voor het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Een daarbij passende regeling dient naar zijn mening te omvatten de doorbetaling van de volledige bezoldiging met volledige pensioenopbouw, vergoeding voor het gemiste carrièreperspectief, immateriële schadevergoeding en volledige vergoeding van de kosten van rechtskundige bijstand.

5.3. Met betrekking tot het ontstaan van de verstoorde verhoudingen ziet de Raad, anders dan appellant, geen overwegend aandeel van de korpsbeheerder. Dat de korpsbeheerder appellant in 1995 ten onrechte niet heeft ingelicht over het onderzoek naar appellant en de resultaten daarvan is weliswaar de aanleiding voor appellants uitval wegens ziekte, maar dit brengt op zich zelf niet mee dat de korpsbeheerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen. De Raad wijst er op dat de korpsbeheerder in 1998 en 1999 op een ruim voldoende wijze getracht heeft de gevolgen die appellant ondervond van de verkeerde beslissing van 1995 (om appellant niet in te lichten) te herstellen.

5.4. De Raad deelt het oordeel van partijen dat de korpsbeheerder in het voortbestaan van de verstoorde verhoudingen een aandeel heeft gehad dat ertoe noopte een regeling te treffen die uitsteeg boven de minimumregeling. Op grond van de medische rapportages uit 2000 en 2001 had het de korpsbeheerder duidelijk kunnen en moeten zijn, dat voortzetting van de arbeidsverhouding tussen appellant en de korpsbeheerder, mede gelet op het ontbreken van de bereidheid om tegemoet te komen aan appellants wens tot compensatie, slechts kon leiden tot een continuering van de slechte (geestelijke) gezondheidstoestand waarin appellant verkeerde zonder dat een herstel van de impasse nog realiter bereikt zou kunnen worden. Door de arbeidsverhouding desondanks nog vele jaren in stand te laten heeft de korpsbeheerder het voortbestaan van de impasse bevorderd.

5.5. Dat ook de schending door de korpsbeheerder van artikel 49b van het Barp moet worden aangemerkt als een aandeel in het voortbestaan van de impasse, kan de Raad niet onderschrijven. De Raad stelt voorop dat appellant nimmer heeft laten blijken dat hij hulp van de korpsbeheerder wilde met het oog op (externe) re-integratie. Het in artikel 49b van het Barp gegeven voorschrift over de verplichting om zo nodig ook externe re-integratie te beproeven is voorts pas met in gang van 1 december 2004 (ingevolge het besluit van 17 november 2004, Stbl. 2004, 597) van toepassing geworden. Omstreeks die datum was voor de korpsbeheerder al het moment aangebroken om stappen te zetten tot beëindiging van de arbeidsverhouding met appellant. Kort nadien heeft de korpsbeheerder dan ook het eerste ontslagvoornemen uitgebracht.

5.6. De Raad dient ten slotte de vraag te beantwoorden of de getroffen regeling met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.

5.6.1. De bij besluit 2 vastgestelde regeling is substantieel gunstiger dan de in artikel 95, tweede lid, van het Barp voorgeschreven minimumregeling. Voor een regeling die appellant in dezelfde of een gunstiger financiële situatie brengt dan waarin hij was ten tijde van het ontslag, ontbreekt elke grond. Van de hoogte van de verschillende onder 5.1 genoemde onderdelen van de regeling kan in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat deze niet als redelijk moeten worden aangemerkt. Niet ten onrechte heeft de minister bij de inhoud van de regeling mede in aanmerking genomen dat appellant ten tijde van het ontslag een groot aantal jaren onverplicht zijn volledige bezoldiging had gekregen.

5.6.2. Appellant meent dat een vergoeding voor de immateriële schade die rechtstreeks verband houdt met het ontslag onderdeel van de regeling had behoren uit te maken. De Raad volstaat ermee op te merken dat hem niet gebleken is van het bestaan van een situatie als bedoeld in de vaste jurisprudentie. De Raad ziet ook overigens geen grondslag voor de verplichting van de minister om de regeling uit te breiden met een bedrag voor de door appellant gewenste schadevergoeding.

5.6.3. Op grond van het vorenstaande dient de in 5.6 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord te worden. De bij besluit 2 vastgestelde (uitkerings)regeling bij het ontslag kan dus in rechte stand houden.

6. De kosten van bezwaar.

De minister heeft bij de vaststelling van de hoogte van de toegekende kosten in bezwaar de zaak als van gemiddeld gewicht aangemerkt. Appellant is van opvatting dat het een zaak van zwaar gewicht is in verband met de omvang van het dossier. Hoewel de rechtbank aan dit onderdeel van het beroep van appellant niet expliciet aandacht heeft besteed, begrijpt de Raad uit de aangevallen uitspraak dat de rechtbank de beslissing van de minister om de zaak over de (uitkerings)regeling als van gemiddeld gewicht aan te merken juist heeft geacht. De Raad deelt dit oordeel zodat appellant met de toekenning van 2 punten ten bedrage van € 322,- bij besluit 2 niet tekort is gedaan. De omvang-rijkheid van het dossier is ook naar het oordeel van de Raad geen reden om de zaak van appellant als van een zwaar gewicht te bestempelen.

7. Al het hiervoor overwogene brengt mee, dat de besluiten 1 en 2 in rechte in stand kunnen blijven, evenals de aangevallen uitspraak waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.J.A. Reinders.

HD