Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
06-7245 MAW + 06-7247 MAW + 06-7248 MAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van initiële opleiding, wegens leidende rol in misdragingen bij ontgroeningsritueel, waarvoor betrokkene strafrechtelijke is veroordeeld. Ontslag. Restitutieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7245 MAW + 06/7247 MAW + 06/7248 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 2006, 05/8689, 05/8698 en 05/8700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

1. de Commandant Zeestrijdkrachten, als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant) en

2. de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant en de staatssecretaris hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2008. Voor appellant is verschenen mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De commandant en de staatssecretaris hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder de commandant in voorkomende gevallen mede begrepen de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten als rechtsvoorganger van de commandant.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, [naam functie], was met ingang [in] 2004 voor een periode van vier jaar aangesteld bij de Koninklijke marine om functies te vervullen bij de [naam subdienstgroep]. Daarbij is appellant meegedeeld dat aan het volgen van een initiële opleiding een restitutieverplichting is verbonden. Na bij opkomst de Eerste Maritieme Militaire Vorming te hebben gevolgd, is appellant in juli 2004 gestart met de Eerste Vakopleiding.

2.2. Bij besluit van 16 november 2004 is appellant in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang geschorst. Bij besluit van 6 december 2004 is de reden van de schorsing gewijzigd, omdat naar appellant een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld. Bij dat besluit is eenderde deel van het inkomen van appellant ingehouden. Deze besluiten zijn in rechte komen vast te staan.

2.3. Bij besluit van 18 maart 2005 heeft de commandant appellant wegens laakbaar gedrag met onmiddellijke ingang van de initiële opleiding ontheven en hem meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag.

2.4. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de staatssecretaris aan appellant met ingang van 29 april 2005 eervol ontslag verleend onder toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h (ontheffing initiële opleiding), van het Algemeen militair ambtenaren-reglement (AMAR).

2.5. Bij besluit van 5 april 2005 heeft de commandant aan appellant een restitutie-verplichting opgelegd van € 1.969,66.

2.6. Appellant heeft tegen de in 2.3, 2.4 en 2.5 genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Bij separaat genomen besluiten van 10 november 2005 zijn deze bezwaren ongegrond verklaard.

2.7. Bij uitspraak van 11 september 2006 van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Arnhem is appellant schuldig bevonden aan het medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd, en aan eenvoudige belediging, meermalen gepleegd. Appellant is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel ingesteld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten van 10 november 2005 ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Op grond van artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 geldt een uitspraak van de strafrechter die in kracht van gewijsde is gegaan en waarbij de militaire ambtenaar aan enig feit is schuldig verklaard in een militaire ambtenarenzaak als een bewijs van dat feit. Gelet op het in 2.7 genoemde oordeel van de militaire rechtbank te Arnhem dient dus voor de onderhavige zaak als vaststaand feit te gelden dat appellant zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van lichamelijk letsel en aan het maken van beledigende opmerkingen.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat geen sprake was van mishandeling, maar slechts van stoeipartijen zoals die bij ontgroeningsrituelen kunnen voorkomen. De Raad stelt vast dat de kwalificatie die appellant aan zijn handelen geeft niet kan afdoen aan de als vaststaand aan te nemen feiten waaraan appellant schuldig is verklaard.

4.3. De Raad is van oordeel dat de commandant het gedrag van appellant terecht als laakbaar heeft gekwalificeerd en dat hij appellant op die grond van zijn initiële opleiding heeft kunnen ontheffen en hem vervolgens voor ontslag heeft kunnen voordragen. Hieruit volgt dat de staatssecretaris bevoegd was om appellant vanwege die ontheffing van de initiële opleiding op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het AMAR ontslag te verlenen.

4.4. De vraag of de staatssecretaris na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van die ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, beantwoordt de Raad - evenals de rechtbank - bevestigend. Hierbij heeft de Raad met name van belang geacht dat appellant een leidende rol heeft gehad in de misdragingen van een kleine groep militairen jegens het slachtoffer de matroos Van S. Zo heeft appellant als kamergenoot van Van S de groep meermalen de gelegenheid geboden om in de kamer van Van S binnen te dringen om Van S “aan te pakken”. Dit overziende is de Raad ervan overtuigd dat appellant de juiste instelling mist om voor de Koninklijke marine te worden opgeleid.

4.5. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij de enige is van de groep van negen militairen die strafrechtelijk zijn veroordeeld, die door de staatssecretaris is ontslagen. Appellant heeft daarbij met name gewezen op zijn niet-ontslagen collega militair, Van E, die wegens zware mishandeling is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur waarvan

50 uur voorwaardelijk. De Raad wijst dit beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat het niet om gelijke situaties gaat. Bij Van E is het gebleven bij een - hoewel ernstig - eenmalig incident waarbij hij zich onmiddellijk van zijn fout bewust was en direct heeft geprobeerd om de gevolgen daarvan terug te draaien, terwijl appellant zich over een periode van enkele maanden structureel laakbaar heeft gedragen en geen spijt heeft getoond.

4.6. Op grond van artikel 11 van de Regeling opleiding militairen (ROM) wordt - voor zover hier van belang - de militair een restitutieverplichting opgelegd wanneer het ontslag uit de dienst het gevolg is van omstandigheden die aan de betrokken militair zijn te wijten. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, geldt in de onderhavige zaak als vaststaand feit dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan een opzetdelict. Naar het oordeel van de Raad volgt daaruit dat appellant de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid aan zichzelf heeft te wijten. Om die reden is hem de restitutieverplichting terecht opgelegd.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.G. Treffers en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD