Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
07-617 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling functioneren. Ongeschiktheidsontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/617 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 december 2006, 06/3418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.A.W. van den Broek, advocaat te Veldhoven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bijgestaan door [B.], werkzaam bij de gemeente Waalre.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 oktober 2004 aangesteld in vaste dienst van de gemeente als [naam functie] van sporthal [naam sporthal]. De functie van [naam functie] omvatte zowel het toezicht op het gebruik als het schoonhouden van de sporthal.

1.2. Over de periode van 1 januari tot 23 juni 2005 is een beoordeling over het functioneren van appellant vastgesteld. Ten aanzien van de gezichtspunten “kennis”, “zelfstandigheid” en “houding ten aanzien van het werk” laat de beoordeling een score A (onvoldoende) zien. Voor de gezichtspunten “contacten”, “uitdrukkingsvaardigheid”, “kwantiteit van het werk” en “kwaliteit van het werk” is een score B (matig) toegekend.

Over de periode van 23 juni tot 1 oktober 2005 is een beoordeling vastgesteld waarin voor de onderscheiden gezichtspunten gelijke scores zijn toegekend als in de eerdere beoordeling.

Over de periode van 1 oktober 2005 tot 1 januari 2006 is een beoordeling vastgesteld waarin voor de gezichtspunten “zelfstandigheid” en “initiatief” een score A, voor de gezichtspunten “kennis”, “kwantiteit van het werk” en “kwaliteit van het werk” een score B en voor de gezichtspunten “contacten”, “uitdrukkingsvaardigheid”, “houding ten aanzien van het werk” en “klant- en servicegericht” een score C (voldoende) is toegekend. Tegen geen van deze drie besluiten tot vaststelling van deze beoordelingen is bezwaar gemaakt. Deze besluiten zijn daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Bij besluit van 20 maart 2006 is namens het college een beoordeling over het functioneren van appellant in de periode van 1 januari tot 10 maart 2006 vastgesteld. Ten aanzien van de gezichtspunten “zelfstandigheid”, “houding ten aanzien van het werk”, “kwantiteit van het werk” en “kwaliteit van het werk”, “klant- en servicegerichtheid” en “initiatief” is een score A toegekend, en ten aanzien van de gezichtspunten “kennis”, “contacten” en “uitdrukkingsvaardigheid” is daarin een score B toegekend.

1.4. Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het college met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO van de gemeente Waalre aan appellant wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken ontslag verleend met ingang van 15 mei 2006.

1.5. Het college heeft de besluiten van 20 maart en 3 mei 2006 na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 juni 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Naar de Raad reeds eerder heeft uitgemaakt moet in gevallen van negatieve oordelen als uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die waardering niet op onvoldoende gronden berust. Niet beslissend is of elk feit dat ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

4.2. Niet in geschil is dat appellant zijn toezichthoudende taak naar behoren uitoefende en dat de in de beoordeling naar voren komende kritiek op zijn functioneren betrekking heeft op de schoonmaakwerkzaamheden waarmee appellant uit hoofde van zijn functie was belast.

4.3. De kern van het betoog van appellant is dat hij sinds zijn indiensttreding bij de gemeente door zijn leidinggevenden op de huid is gezeten en nimmer een eerlijke kans heeft gekregen, zodat de beoordeling niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen omdat zijn beoordelaars niet in staat waren zijn functioneren objectief te beoordelen. Dat betoog faalt evenwel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat binnen de gemeentelijke organisatie, laat staan bij zijn afdelingshoofd en de coördinator sportbedrijf die als beoordelaars zijn opgetreden, weerstand bestond tegen zijn persoon omdat het college, als uitvloeisel van een privatisering van een stichting waarvoor hij voorheen werkzaam was - naar zijn zeggen - gedwongen was hem een dienstverband aan te bieden bij de gemeente. De omstandigheid dat van aanvang af controle en verslaglegging van de door appellant verrichte werkzaamheden heeft plaatsgevonden betekent evenmin dat de beoordelaars niet in staat moeten worden geacht zijn functioneren in de periode thans van belang objectief te beoordelen.

4.4. In verband met de geconstateerde gebreken in het functioneren zoals weergegeven in de eerdere beoordelingen, is een stappenplan opgesteld dat erop was gericht het functioneren op alle gezichtspunten binnen afzienbare tijd naar een voldoende niveau te brengen. Appellant is er in dat kader meermalen op gewezen dat hij zijn werkzaamheden moest verrichten overeenkomstig het hem bij aanvang van zijn dienstbetrekking uitgereikte schoonmaakrooster en dat hij deze werkzaamheden diende te vermelden op daartoe bestemde dagstaten. Nadat onvoldoende verbetering was geconstateerd in het functioneren van appellant met een derde negatieve beoordeling tot gevolg, is hij er in een gesprek op 9 februari 2006 door zijn leidinggevende L aan herinnerd dat zijn functioneren volgens het stappenplan in het eerste kwartaal van 2006 op alle gezichts-punten voldoende diende te zijn. Appellant is te kennen gegeven dat geconstateerde afwijkingen van het stappenplan uiteindelijk ontslag tot gevolg zou hebben. L heeft in dat gesprek verder aangegeven dat hij bij wijze van steekproef controles op de uitvoering van het werk zou gaan houden en dat in maart 2006 een beoordeling zou worden opgemaakt.

In de maanden februari en maart 2006 heeft L twaalf maal een controle uitgevoerd in sporthal De Pracht. Blijkens de daarvan gemaakte verslagen en foto’s is diverse malen geconstateerd dat de sporthal of vertrekken daarin niet schoon waren en dat werkzaam-heden op de dagstaat stonden vermeld die niet waren verricht.

4.5. Voor de juistheid van het standpunt van appellant dat de verslaglegging van L geen juiste weergave vormt van de door hem bij de controles aangetroffen situatie is geen enkel aanknopingspunt te vinden. De Raad acht de gedetailleerde verslaglegging die in 4.4 aan de orde is gekomen, waarin ook positieve bevindingen zijn opgetekend, voldoende betrouwbaar. Op grond daarvan is het gebrekkige functioneren van appellant voldoende met concrete voorbeelden onderbouwd. Niet kan worden gezegd dat de beoordeling, voor zover hier aan de orde, op onvoldoende gronden berust.

4.6. De door appellant overgelegde steunbetuigingen van gebruikers van de sporthal leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat niet is na te gaan of die verklaringen een objectief en representatief beeld geven van de tevredenheid van gebruikers van de sporthal over het functioneren van appellant, stelt het college terecht dat het aan hem is om de norm te bepalen waaraan dat functioneren moet voldoen. Het college heeft in dit verband gesteld dat in vergelijking met de ernstig tekortschietende situatie vóór maart 2005 weliswaar sprake is van enige verbetering maar dat dit nog steeds ruimschoots beneden het gewenste niveau ligt.

4.7. De Raad volgt appellant evenmin in zijn betoog dat hem vanwege zijn werktijden onvoldoende tijd resteerde om de sporthal aansluitend aan het gebruik door derden schoon te maken dan wel te houden. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat wanneer gedurende de dag het schoonmaakrooster wordt gevolgd, waarvan de haalbaarheid op zichzelf door appellant nimmer is betwist, na vertrek van de gebruikers voldoende tijd overblijft om de noodzakelijke resterende schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. De Raad merkt in dit verband op dat uit de processtukken veeleer als beeld naar voren komt dat appellant de beschikbare werktijd niet efficiënt besteedde.

5. Het ontslag

5.1. In aanmerking genomen de hiervoor besproken beoordeling alsook de drie daaraan voorafgaande negatieve beoordelingen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college appellant ten onrechte ongeschikt dan wel onbekwaam heeft geacht in de zin van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR/UWO van de gemeente Waalre. Het college was dan ook bevoegd appellant ingevolge dat artikel ontslag te verlenen.

5.2. Niet valt in te zien dat het college van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken. Appellant, die langdurig begeleiding is geboden in zijn functioneren door collega G, zijn voldoende verbeterkansen geboden. Deze hebben niet geleid tot een voldoende functioneren.

6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD