Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
07-2676 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim, bestaande uit het overschrijven van geldbedragen op privérekening. Verwijtbaarheid gezien geestelijke problemen en medicatie? Evenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2676 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 maart 2007, 06/3028 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Hoendermis, verbonden aan juridisch advieskantoor Hoendermis & van Loenhout. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Na vele jaren een executieve politiefunctie te hebben vervuld, was appellant vanaf 2003 in de politieregio in de rang van [rang] werkzaam als [functie] van het district [district]. In 2000 is hem een hartinfarct overkomen. In verband met stressklachten is appellant vanaf 13 april 2004 het medicijn chlorazepinezuur met de merknaam Tranxène gaan gebruiken. Na een tegen hem gericht strafrechtelijk en disciplinair onderzoek in 2004 is aan appellant, wegens door hem in juli en augustus 2003 en in april en mei 2004 in privétijd begaan plichts-verzuim, met ingang van 17 oktober 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het plichtsverzuim bestond uit het ten laste van twee ondernemingen waar hij nevenwerk verrichtte, geldbedragen naar zijn eigen rekening overmaken buiten medeweten en zonder toestemming van de eigenaren van die ondernemingen en het zelf opmaken van salaris-stroken en jaaropgaven en deze als echt en onvervalst gebruiken bij het oversluiten van een hypotheek en het verkrijgen van een krediet. Na bezwaar is het ontslagbesluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 april 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De grief van appellant dat hij bij de aanvang van het disciplinaire onderzoek niet gewezen is op het feit dat hij zich kon laten bijstaan door een raadsman, treft geen doel. Dat is reeds daarom het geval omdat appellant wist dat hij werd gehoord in het kader van zowel een strafrechtelijk als een disciplinair onderzoek, welke onderzoeken gelijktijdig werden gehouden, en hij, zoals ter zitting door hem gesteld, bekend was met het feit dat hij zich kon laten bijstaan in het strafrechtelijk onderzoek, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant een verklaring heeft ondertekend waarin hij aangeeft dat hij aan het onderzoek, dat hem tevoren was aangekondigd, geheel vrijwillig medewerking zou verlenen en dat appellant, blijkens het proces-verbaal, heeft verklaard tijdens het verhoor geen beletselen te hebben ondervonden die het hem onmogelijk maakten zijn verhaal te vertellen.

3.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft aanvaard dat de korpsbeheerder het overschrijven door appellant van geldbedragen naar zijn privé-rekening heeft aangemerkt als plichtsverzuim. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat door de betrokken ondernemingen geen aangifte is gedaan, aan die gedragingen niet het karakter ontneemt van gedrag dat een goed politieambtenaar niet past. Ook de omstandigheid dat het om gedragingen gaat die zich afspeelden in de privésfeer, doet daaraan niet af. Dit privégedrag heeft immers een schadelijk effect op het ambtelijk functioneren.

3.3. De Raad volgt de rechtbank eveneens in haar oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verweten gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend. Ook de nader ingezonden medische stukken werpen geen ander licht op de zaak. Zij bevatten geen aanknopingspunt voor de opvatting dat in het bijzonder het medicijn Tranxène een zodanige bijwerking heeft dat de misdragingen van appellant niet (volledig) toerekenbaar zijn. Bovendien wijst de Raad erop dat appellant dat medicijn niet gebruikte toen hij in 2003 zijn eerste misstappen beging. Dat ook die niet toerekenbaar zouden zijn als gevolg van geestelijke problemen na het doorgemaakte hartinfarct, is evenmin aan-nemelijk geworden.

3.4. Gegeven de ernst van het plichtsverzuim, juist ook in relatie tot de functie van appellant en de in dat kader te stellen eisen van betrouwbaarheid en integriteit, kan (ook) de Raad de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig achten.

4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim, dat hem dat plichtsverzuim is toe te rekenen, dat de korps-beheerder bij de voorbereiding en totstandkoming van het appellant daarom opgelegde strafontslag niet in strijd heeft gehandeld met geschreven of ongeschreven rechtsregels of een algemeen rechtsbeginsel en dat de opgelegde straf niet onevenredig is aan het begane plichtsverzuim. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.J.A. Reinders.

HD