Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BF0001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
06-6818 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Juiste vaststelling beperkingen? Geselecteerde functies geschikt i.v.m. het verzuimrisico?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6818 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [Woonplaats]

(hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 oktober 2006, 2006/208

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. Aalders, werkzaam bij het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2008. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Krijnen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 9 december 2005 (hierna: het besteden besluit) heeft het Uwv het besluit van 11 juli 2005 gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 6 november 1998 een uitkering toe te kennen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de geselecteerde (theoretische) functies, waardoor er vanaf het beoordelingsmoment een verlies aan verdienvermogen is van minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Het hoger beroep van appellante richt zich ten eerste tegen het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan dient te worden van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde functionele beperkingen. Appellante meent dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten voorvloeiend uit de combinatie van de ziekte van Ménière, een middenrifbreuk en schildklierklachten. Voorts is haars inziens geen rekening gehouden met het verzuimrisico zoals dit door haar huisarts is aangegeven, namelijk van één à twee maal per week. Zij meent dat dit voor de rechtbank aanleiding had moeten zijn een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen. Daarnaast acht zij het niet begrijpelijk waarom aanvankelijk, toen zij per abuis per 17 april 2000 werd beoordeeld in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), een mate van arbeidsongeschiktheid van ruim 24% is vastgesteld, terwijl thans bij de onderhavige WAO-beoordeling, die daarvoor in de plaats is gekomen, een mate van arbeidsongeschiktheid van slechts 5,56% is vastgesteld.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het heeft erop gewezen dat er bij de WAZ-beoordeling (naar aanleiding van de aanvraag van appelante) vanuit was gegaan dat de arbeidsongeschiktheid later is ingetreden dan thans is aangenomen. Bij de onderhavige beoordeling is op verzoek van appellante uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Voorts is hierbij een ander maatman-inkomen gehanteerd en ook zijn andere theoretische functies in aanmerking genomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de objectief-medische gegevens die beschikbaar zijn gekomen niet tot de conclusie leiden dat met betrekking tot de situatie in november 1998, zoals deze thans ter beoordeling voorligt, te geringe beperkingen zijn aangenomen.

4.2. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat uit de informatie van de KNO-arts naar voren is gekomen dat appellante sinds de tweede helft van 1997 last heeft van aanvallen van duizeligheid (gepaard gaande met misselijkheid en oorsuizen) als gevolg van de ziekte van Ménière en dat deze aanvallen begin 1998 vijf minuten tot soms drie uur duurden in een frequentie van meerdere keren per week. Voorts volgt uit de beschikbare informatie van de behandelend internist van appellante dat zij sinds december 1999 epigastrische klachten heeft. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat in juni 2001 (in het kader van de WAZ-beoordeling) plaatsvond is vastgesteld dat appellante op dat moment ook schildklier- en hoge bloeddrukklachten had. Voorts volgt uit de verklaring van haar huisarts uit februari 2002 dat de frequentie van de aanvallen van duizeligheid de laatste twee jaren zowel in frequentie als intensiteit zijn toegenomen (tot één à twee keer per week en soms tot langer dan een dag) en dat deze toename met name is veroorzaakt door overbelasting. Hij acht appellante hierdoor in ieder geval ongeschikt om werkzaamheden te verrichten die gepaard gaat met bukken, buigen, dan wel met het maken van snelle draaibewegingen of snelle oogbewegingen.

4.3. Nu de klachten van het middenrif pas na de beoordelingsdatum van 6 november 1998 zijn ontstaan, dient vastgesteld te worden dat daarmee geen rekening hoefde te worden gehouden. Wanneer de schildklieraandoening en de verhoging van bloeddruk zijn ontstaan is niet bekend. Met alle vier genoemde aandoeningen is bij het vaststellen van de beperkingen van appellante evenwel rekening gehouden. Dit is tot uitdrukking gekomen doordat er in het belastbaarheidspatroon enerzijds vanuit is gegaan dat fysieke belasting vermeden moet worden (zoals langdurig zitten, staan en lopen, klimmen, knielen en hurken, torderen, gebogen werken, werken boven schouderhoogte, tillen, autorijden) en er anderzijds vanuit is gegaan dat tijdsdruk, verantwoordelijkheid, gevaarzetting en afbreukrisico’s vermeden moeten worden.

4.4. Volgens de Raad is daarmee voldoende aan appellantes situatie tegemoet gekomen. Ook de Raad ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen.

4.5. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit vervolgens de functies: confectienaaister en -stikster, samensteller elektrotechnische en/of elektronische producten, alsmede assembleerder auto-onderdelen ten grondslag gelegd. De bezwaararbeidsdeskundige Harren heeft over de geschiktheid van deze functies overleg gepleegd met de bezwaarverzekeringsarts, waarbij de bezwaren die appellante tegen deze functies had zijn besproken, zoals het niet tegelijk kunnen verrichten van meer dan één handeling en het niet kunnen werken met een diagonaal dessin. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter geen medische redenen gezien om de functies in verband hiermee ongeschikt te achten. Mede gelet op de functionele beperkingen van appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid, is ook de Raad niet gebleken dat zij op de in geding zijnde datum de werkzaamheden, behorende bij de genoemde functies, niet zou kunnen verrichten.

4.6. Ten aanzien van het verzuimrisico overweegt de Raad dat bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschikheid op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit, zoals dit luidde in 1998, arbeid buiten beschouwing blijft indien betrokkene zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te stellen. Daarbij is naar vaste jurisprudentie de omvang van het verwachte ziekteverzuim van belang, in relatie tot de persoonsgebondenheid van de in aanmerking genomen functie en het financiële risico dat de werkgever loopt. Of in dit geval het verwachte ziekteverzuim nu drie tot vier dagen per maand was (waarvan het Uwv is uitgegaan) of meerdere malen per week gedurende vijf minuten tot soms drie uur (waarvan sprake is in het schrijven van de behandelend KNO-arts uit januari 1998), dan wel één tot twee maal per week en soms langer dan een dag (waarvan de huisarts in februari 2002 melding maakt), de Raad oordeelt dat dit hoe dan ook niet in de weg staat aan een reële beschikbaarheid voor de genoemde functies. Daarbij neemt de Raad in overweging dat het gaat om functies die bestaan uit betrekkelijk eenvoudige (productiematige) werkzaamheden, waarbij de werkgever bij korte uitval op eenvoudige wijze en adequaat in vervanging kan voorzien zonder een al te groot financieel risico te lopen.

4.7. De afwijkende uitkomst van de beoordeling in het kader van de WAZ die abusievelijk, en overigens ook uitgaande van andere inkomensgegevens, heeft plaatsgevonden, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MH