Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
06-4267 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische beperkingen? Passendheid geselecteerde functies? Eerst in hoger beroep deugdelijke onderbouwing gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4267 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [Woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juni 2006, 05/1684 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere reacties van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S.K. Jap-A-Joe, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 1 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Bij het besluit van 19 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 31 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de vastgestelde beperkingen. Appellante heeft gesteld dat er in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 22 oktober 2004 niet dan wel in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar taal- en spraakproblemen, het feit dat zij zaken niet goed kan onthouden en dat haar linker lichaamshelft minder goed functioneert. Ter onderbouwing van het gestelde heeft appellante verwezen naar een brief van de huisarts van 23 juni 2005. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de geduide functies haar belastbaarheid overtreffen. Met betrekking tot de functie chauffeur bijzonder vervoer heeft appellante er op gewezen dat zij niet voldoet aan de eisen van rijgeschiktheid zoals gesteld door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Met betrekking tot appellantes betoog dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met een beperking ten aanzien van de spraak, is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft geoordeeld dat er geen reden is om een beperking aan te nemen op dat vlak. Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens onderschrijft de Raad de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat de huisarts in zijn brief van 23 juni 2005 weliswaar melding heeft gemaakt van een in januari 1999 door de (voormalig) huisarts waargenomen spraakstoornis, maar dat deze stoornis niet te objectiveren is. De Raad wijst er in dit verband op dat de neuroloog in zijn rapport van 14 juni 2000 heeft vermeld dat slikken en spreken goed verlopen.

4.1.2. De grief van appellante dat in de FML niet tot uiting komt dat haar geheugen niet optimaal functioneert, slaagt niet. In de FML van 22 oktober 2004 is bij het belastbaarheidsaspect herinneren aangegeven dat appellante normaal belastbaar is, met de toelichting dat appellante moeite heeft zich alles te herinneren van jaren geleden, moeite heeft met studeren en dingen soms een paar keer moet lezen. De Raad onderkent dat hier gesproken kan worden van een in de toelichting verborgen beperking. Nu echter uit de rapportage van de arbeidsdeskundige S. Weistra blijkt dat ook voor hem voldoende duidelijk was dat sprake was van een zekere beperking en dat hij bij de functieselectie heeft toegelicht waarom ten aanzien van de geduide functies geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de verzekerde op het betreffende onderdeel, kan de Raad niet tot het oordeel komen dat de wijze van vormgeving van de beperking van appellante op het belastbaarheidsaspect herinneren heeft geleid tot onjuiste arbeidskundige vaststellingen.

4.1.3. De Raad overweegt voorts dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen die voortvloeien uit haar minder goed functionerende lichaamshelft, in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van appellante geen steun, nu uit de rapportage van de verzekeringsarts van 22 oktober 2004 blijkt dat hij linkszijdige paresen heeft geconstateerd en dat hij de beperkingen die uit deze paresen voortvloeien heeft weergegeven in de FML van dezelfde datum. Zo is appellante ten aanzien van een fors aantal dynamische handelingen en statische houdingen (licht) beperkt geacht en met betrekking tot de localisatie van de beperkingen is toegelicht dat het de linker lichaamshelft betreft.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde medische beperkingen dient de Raad te beoordelen of de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

4.2.1. De Raad stelt vast dat de schatting blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 juli 2005 uiteindelijk is gebaseerd op de functies verkoper groothandel (SBC-code 317012), commercieel administratief medewerker (SBC-code 516110) en chauffeur bijzonder vervoer (SBC-code 282101). Als reservefuncties is geselecteerd de functie telefonist/receptionist (SBC-code 315120).

4.2.2. De Raad is van oordeel dat het Uwv, met de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 januari 2007 tezamen met rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 juli 2007, genoegzaam heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellante geldende beperkingen zoals weergegeven in de FML.

4.2.3. Voor zover appellante gevolgd zou moeten worden in haar betoog dat de functie chauffeur bijzonder vervoer (SBC-code 282101) niet binnen haar mogelijkheden valt, overweegt de Raad dat het buiten beschouwing laten van deze functie geen gevolgen heeft voor de schatting, nu in plaats van die functie de reservefunctie telefonist/receptionist (SBC-code 315120) als grondslag voor de schatting kan dienen, waarmee onveranderd indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% bestaat.

4.2.4. De vaststelling dat het bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een deugdelijke onderbouwing, leidt de Raad tot de conclusie dat dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat de rechtsgevolgen ervan, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. Daaruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

5. Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III. is aangegeven

6. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Brand als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM