Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
06-7273 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvanklijk verklaring hoger beroep. Uwv tegemoet gekomen aan bezwaren.Geen procesbelang. Proceskosten en kosten rechtsbijstand. Wegingsfactor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7273 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

Op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2006, 06/639 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bonnist, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 februari 2008 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat na nader onderzoek het standpunt van het Uwv is gewijzigd en dat een nieuwe beslissing op bezwaar wordt gegeven. Een afschrift van deze beslissing, gedateerd 29 februari 2008, is meegezonden.

In reactie hierop heeft mr. Bonnist bij brief van 12 maart 2008 namens appellant aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep en daarbij het gewicht van de zaak te bepalen op zwaar.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 maart 2005 is de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 mei 2005 ingetrokken.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

3.1. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 29 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 17 mei 2005 wederom vastgesteld op 80 tot 100%.

3.2. Met deze nieuwe beslissing op bezwaar is naar het oordeel van de Raad volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad heeft daarom het hoger beroep van appellant onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mede gericht geacht tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar.

3.3. Uit de vaste jurisprudentie van de Raad (zie de uitspraak van 4 februari 1997,

LJN: ZB6628) volgt dat in een geval waarin volledig tegemoet wordt gekomen aan het beroep tegen een besluit, belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb. Van een dergelijk verzoek is de Raad in onderhavig geval niet gebleken.

3.4. Nu het Uwv volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant heeft deze geen belang meer bij een beoordeling in hoger beroep. De Raad verklaart daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk.

3.5. Namens appellant is verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten in beroep en in hoger beroep en daarbij het gewicht van de zaak te bepalen op zwaar.

3.6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.

3.7. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van de namens appellant geconsulteerde deskundige drs. E. van der Scheer is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken moet worden uitgegaan van een uurtarief van € 81,23. Bij een bestede tijd van 11½ uur komt appellant derhalve een vergoeding toe van € 934,15.

3.8. Anders dan appellant ziet de Raad in het belang, noch in de ingewikkeldheid van de zaak, aanleiding de zaak met een andere wegingsfactor dan ‘gemiddeld’ te waarderen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.900,15, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

JL