Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
05-09-2008
Zaaknummer
07/5857 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos. Verzoek om herziening: Het Uwv had in de nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding moeten zien om het oorspronkelijke besluit te herzien. Betrokkene is niet akkoord gegaan met de beëindiging van de dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5857 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2007, 07/1457 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Werdmüller von Elgg, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Odijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij besluit van 19 januari 2006 heeft het Uwv de door appellant aangevraagde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 26 december 2005 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant, door akkoord te gaan met de beëindiging van zijn dienstbetrekking, verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

2.2. Bij brief van 21 december 2006 heeft appellant verzocht het besluit van 19 januari 2006 te herzien. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij alsnog de vernietigbaarheid van de opzegging heeft ingeroepen en dat hij daarnaast een loonvorderingsprocedure is gestart die geleid heeft tot een schikking tengevolge waarvan de voormalige werkgever aan hem een bedrag van € 800,- netto dient te betalen. Volgens appellant kan niet meer geconcludeerd worden dat hij akkoord is gegaan met de beëindiging van het dienstverband en daardoor verwijtbaar werkloos is geworden.

2.3. Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is weliswaar sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar vormen deze geen aanleiding om op het besluit van 19 januari 2006 terug te komen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Ter beoordeling staat de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil - en ook de Raad is het oordeel toegedaan - dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv in die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding moeten zien om het oorspronkelijke besluit van 19 januari 2006 te herzien. Doordat appellant - in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, eerste en derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) - bij brief van 3 februari 2006 de vernietigbaarheid van de opzegging heeft ingeroepen en bij de kantonrechter een loonvorderingsprocedure is gestart, die ertoe heeft geleid dat de voormalige werkgever aan appellant een bedrag van € 800,-, dient te betalen, welk bedrag naar het oordeel van de Raad niet anders dan als loon gekwalificeerd kan worden, kan immers niet meer staande worden gehouden dat appellant met de beëindiging van de dienstbetrekking akkoord is gegaan en daardoor verwijtbaar werkloos is geworden. De nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden kunnen naar het oordeel van de Raad dan ook tot geen andere conclusie leiden dan dat de grondslag van het oorspronkelijke besluit van 19 januari 2006 niet kan worden gehandhaafd.

4.2. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv zal, met inachtneming van het voorgaande, een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. De Raad merkt, ter voorlichting van appellant, nog op dat uit het vorenstaande niet voortvloeit dat aan hem met ingang van 26 december 2005 een WW-uitkering toekomt.

5. Bij het nieuw te nemen besluit zal het Uwv tevens dienen te beslissen op het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb, alsmede over het verzoek van appellant tot vergoeding van (rente)schade.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 322,- in beroep en op € 322,- in hoger beroep, derhalve in totaal op € 644,-, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.

RH

19/8