Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
05-4739 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Raad. Korting AOW-pensioen. Onverzekerde jaren.

Wetsverwijzingen
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4739 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2005, 04/3074 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij brief van 27 juli 2005 heeft de secretaris van de Raad van State het beroepschrift doorgezonden naar de Centrale Raad van Beroep. Daarbij is aangegeven dat niet de Afdeling, maar de Raad bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.

De Svb heeft nadere stukken in het geding gebracht, waarop door appellant is gereageerd.

Mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, heeft zich op 28 april 2008 als gemachtigde gesteld en een aanvulling op de beroepsgronden gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal. Na behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Partijen hebben vervolgens toestemming verleend verder onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft de Svb aan appellant met ingang van maart 2005 een pensioen voor een alleenstaande ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 66% van het volledige pensioen. Aan de korting is ten grondslag gelegd dat appellant 17 jaar niet verzekerd is geweest.

1.2. Appellant heeft tegen de korting op zijn AOW-pensioen bezwaar aangetekend. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in Suriname is geboren en getogen. Sinds de afkondiging van het Statuut in 1954 was Suriname een Rijksdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Suriname was derhalve Nederlands grondgebied zodat de korting onrechtmatig is, aldus appellant.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 10 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat appellant voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor toekenning van de overgangsvoordelen, zodat de jaren tussen zijn vijftiende verjaardag en 1 januari 1957 worden meegeteld. Ten aanzien van de periode daarna is aangegeven dat appellant niet op grond van ingezetenschap onder de verzekering voor de AOW kan worden gebracht. Een persoon is ingezetene als het middelpunt van zijn maatschappelijk bestaan in Nederland ligt. Onder Nederland moet, conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, worden verstaan het Rijk in Europa. Appellant heeft zich eerst op 19 april 1974 metterwoon in Nederland gevestigd. Voor genoemde datum kan van ingezetenschap dan ook geen sprake zijn. Ook anderszins is niet gebleken dat appellant in genoemde periode verzekerd is geweest. Geconcludeerd is dat appellant van 1 januari 1957 tot 19 april 1974 niet verzekerd is geweest. Daaraan is toegevoegd dat van discriminatie geen sprake is nu bij de AOW-aanvraag van de persoon die in gelijke omstandigheden verkeert, ongeacht zijn nationaliteit, eenzelfde besluit zal worden genomen.

1.4. In beroep is door appellant aangevoerd dat hij op 1 januari 1957 Nederlander was en op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden woonde en werkte, zodat de AOW volledig van toepassing dient te zijn. Indien dat niet het geval, is de AOW kennelijk discriminerend, aldus appellant.

1.5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant tot 18 april 1974 in Suriname woonachtig was en hij zodoende tot dat tijdstip geen ingezetene was van Nederland. Ook was hij niet onderworpen aan de loonbelasting vanwege binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid of ontving hij loon of wedde ten laste van het Rijk. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op vaste jurisprudentie van de Raad waarin is bepaald dat onder het begrip “het Rijk” moet worden verstaan “het Rijk in Europa”.

2. In hoger beroep heeft appellant opgemerkt voor een hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak te hebben gekozen en niet voor de Centrale Raad van Beroep, gezien de door de rechtbank aangehaalde rechtspraak van de Raad kennelijk in een soortgelijke zaak. Ten gronden heeft appellant in essentie zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Daarnaast is door appellant in hoger beroep ter ondersteuning van zijn stellingen een beroep gedaan op het bepaalde bij en krachtens artikel 55 van de AOW.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 18, eerste lid, onder b, van de Beroepswet in samenhang met Bijlage C, onder 6, bij de Beroepswet en artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, de Raad bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht inzake besluiten op grond van de AOW. Het betoog van appellant dat de Raad, gezien de jurisprudentie in vergelijkbare zaken, het voorliggende geschil niet objectief zal beoordelen, treft geen doel. Het enkele feit dat over een bepaald geschilpunt vaste rechtspraak bestaat, brengt immers niet mee dat de bevoegde rechterlijke instantie dat punt van geschil niet objectief en onpartijdig zal beoordelen.

3.2. Met betrekking tot het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 17 juli 2008, LJN: BD8822. Daarin is de Raad in vergelijkbare situaties tot de conclusie gekomen dat van ongerechtvaardigd onderscheid geen sprake is. De Raad ziet geen aanleiding in het geding van appellant tot een andere conclusie te komen.

3.3. De Raad voegt hieraan toe dat het beroep dat appellant heeft gedaan op het bepaalde bij en krachtens artikel 55 van de AOW dit niet anders doet zijn, nu deze bepalingen geen betrekking hebben op het in dit geding aan de orde zijnde geschilpunt, namelijk de verzekering van appellant op grond van de AOW in de periode van 1 januari 1957 tot

19 april 1974.

3.4. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) C. de Blaeij.

OA