Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
06/1214 WAO + 06/1215 WAO + 06/1216 WAO + 08/4648 WAO + 08/4649 WAO + 08/4650 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op en intrekking WAO-uitkering. Inkomsten directeur/grootaandeelhouder. Loonwaarde werkzaamheden. Boete wegens overtreding mededelingsplicht. Terugvordering. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1214 WAO, 06/1215 WAO, 06/1216 WAO, 08/4648 WAO, 08/4649 WAO en 08/4650 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 januari 2006, 05/396 WAO, 05/1306 WAO en 05/1533 WAO (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 15 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. J. Reeser, medewerker van SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 april 2008 heeft de Raad een aantal vragen aan het Uwv gesteld.

Naar aanleiding van deze vraagstelling heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris een rapport, gedateerd 29 april 2008, uitgebracht.

Bij brief van 2 juni 2008 heeft het Uwv aan de Raad meegedeeld dat het Uwv instemt met de inhoud van het advies van zijn bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv heeft een drietal besluiten op bezwaar, van 2 juni 2008, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de beoordeling van dit geding gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante, geboren in 1941, ontvangt met ingang van 1 januari 1996 een aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Per 1 januari 1998 is deze uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de WAO.

1.3. Uit een onderzoek van de afdeling Bijzonder Onderzoek van het Uwv, neergelegd in een rapport van 1 september 2004, is naar voren gekomen dat appellante sinds 18 juli 1990 directeur/grootaandeelhouder is van de op 23 juli 1990 in het handelsregister ingeschreven [B.V.] en vanaf 24 december 1991 dezelfde positie bekleedt in de op 3 januari 1992 in het handelsregister ingeschreven [B.V.] (hierna ook: de B.V.’s).

1.4. Appellante heeft haar maandelijkse verdiensten uit de dienstverbanden met beide B.V.’s vermeld op de formulieren Opgave Jaarinkomsten 1998, 1999, 2000 en 2001.

1.5. Uit het onderzoeksrapport van 1 september 2003 is ook naar voren gekomen dat het Uwv geen winst- of verliesrekeningen dan wel andere vermeldingen heeft aangetroffen waaruit de activiteiten van appellante in de beide B.V.’s bleken.

1.6. Uit informatie van de belastingdienst is onder meer gebleken dat appellante over de jaren 1998 tot en met 2002 inkomsten als enig aandeelhouder van [B.V.] heeft gehad. Tevens heeft de belastingdienst aan het Uwv een opgave gedaan van de vastgestelde winstbedragen van beide B.V.’s van appellante over de jaren 1997 tot en met 2001.

2.1.1. Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het Uwv over de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO. Daarbij is bepaald dat de uitkering van appellante over die periode niet tot uitbetaling komt en dat de uitkering per 1 januari 1998 definitief wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 0 tot 15%.

2.1.2. Bij besluit van 22 februari 2005 (hierna: bestreden besluit 1) is het tegen het besluit van 4 juni 2004 namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.1. Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 103.304,67 teruggevorderd wegens aan haar over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 juni 2004 onverschuldigd betaalde uitkering.

2.2.2. Bij besluit van 1 september 2005 (bestreden besluit 2) is het tegen het besluit van 6 juli 2004 namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.1. Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd van € 816,80 wegens overtreding van de op appellante rustende mededelingsplicht.

2.3.2. Bij besluit van 20 juli 2005 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het tegen het besluit van 7 maart 2005 namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft de tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

4.1. Bij besluiten van 2 juni 2008 heeft het Uwv:

- de – in bestreden besluit 1 besloten liggende – definitieve verlaging van de WAO-uitkering van appellante per 1 januari 1998 niet gehandhaafd (bestreden besluit 4);

- de – in bestreden besluit 2 besloten liggende – terugvordering die ziet op de over de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 juni 2004 onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering eveneens niet gehandhaafd (bestreden besluit 5);

-

- de – in bestreden besluit 3 besloten liggende – boete verlaagd naar een bedrag van

- € 462,-- (bestreden besluit 6).

4.2. Bestreden besluiten 4, 5 en 6 berusten op een naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad door bezwaararbeidsdeskundige Saris op 29 april 2008 uitgebracht rapport.

4.2.1. In dit rapport is voor de berekening van de winst van de B.V.’s over 1996 uitgegaan van de gegevens die de accountant van appellante heeft verstrekt, te weten € 97.054,06 en € 21.499,20. Dit komt neer op een inkomen van € 118.553,26 minus de zogeheten AA-premies (10%) = € 106.697,93: 12 = € 8.891,49 per maand. Afgezet tegen het geïndexeerde maatmaninkomen van € 2.395,95 is er geen verlies aan verdienvermogen en bedraagt de zogeheten fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 15%. Uitgaande van de gegevens van de belastingdienst zijn toepassing van artikel 44 van de WAO voor 1998 en een definitieve schatting per 1 januari 1998 niet aan de orde, aldus de bezwaararbeidsdeskundige. Met de inhoud van dit advies heeft het Uwv zich kunnen verenigen.

4.3. Ter zitting is namens appellante meegedeeld dat met de nader door het Uwv op 2 juni 2008 genomen bestreden besluiten 4, 5 en 6 niet ten volle aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.

4.4. Hieruit vloeit voort dat de Raad bestreden besluiten 4, 5 en 6 met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure dient te betrekken. Dit betekent dat de beroepen tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3 geacht worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluiten 4, 5 en 6.

5.1. Uit bestreden besluiten 4, 5 en 6, zoals nader ter zitting namens het Uwv toegelicht, blijkt dat het Uwv de in de bestreden besluiten 1, 2 en 3 neergelegde beslissingen niet langer volledig handhaaft, en de bezwaren tegen de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard, onder herroeping in zoverre van die primaire besluiten.

5.2. Gelet hierop dienen de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 gegrond te worden verklaard en dienen deze besluiten in zoverre te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, dient te worden vernietigd.

6. De Raad dient derhalve een oordeel te geven over de bestreden besluiten 4, 5 en 6.

6.1.1. Bestreden besluit 4 betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997.

6.1.2. Daartegen is namens appellante, samengevat, aangevoerd dat het Uwv de fictieve inkomsten van appellante uit de B.V.’s over deze periode op volkomen irreële wijze heeft bepaald. Bovendien is van directe noch indirecte verrijking sprake, omdat de winsten in de B.V.’s zijn gebleven. Ten slotte is betoogd dat het Uwv niet met terugwerkende kracht tot toepassing van artikel 44 van de WAO had mogen overgaan, omdat van een schending van de mededelingsplicht door appellante geen sprake is.

6.1.3. De Raad stelt vast dat de juistheid van de door de bezwaararbeidsdeskundige Saris in zijn rapport van 29 april 2008 genoemde, en hiervoor in 4.2.1. vermelde winstcijfers noch het maatmaninkomen van appellante, door appellante wordt betwist.

6.1.4. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen kan een kortingsartikel als artikel 44 van de WAO in beginsel slechts worden toegepast in geval van inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk zelf heeft genoten. De Raad heeft daarbij evenwel tevens te kennen gegeven zich bijzondere gevallen te kunnen voorstellen waarin ondanks het feit dat de betrokkene zelf uit arbeid geen inkomsten heeft genoten, hiervan voor de toepassing van de wet geacht moet worden toch sprake te zijn. De Raad heeft hierbij met name gedacht aan gevallen waarin de betrokkene arbeid van economische waarde en van aantoonbare loonwaarde heeft verricht, waarvoor hij weliswaar niet zelf is beloond, maar in verband waarmee hij zichzelf toch direct of indirect heeft verrijkt.

6.1.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in 1996 in een aanzienlijke omvang werkzaamheden heeft verricht waaraan loonwaarde moet worden toegeschreven. De Raad verwijst in dit verband naar het – op dit punt – niet door appellante bestreden rapport van de arbeidsdeskundige Fr. Ladeur van 2 december 2004. Evenmin is in geschil dat appellante van beide B.V.’s directeur/grootaandeelhouder is. Appellante verkeerde derhalve in een zodanige positie dat zij volledig over de gemaakte winsten kon beschikken en deze naar eigen goeddunken kon gebruiken, hetgeen ook is gebeurd, zoals bezwaararbeidsdeskundige Saris in zijn rapport van 29 april 2008 heeft toegelicht.

6.1.6. De Raad onderschrijft ook de conclusie van Saris dat de inkomsten die appellante aan zichzelf heeft toebedeeld, gemiddeld € 5.500,-- per jaar, in geen redelijke verhouding staan tot de gemaakte winsten en tot de functies die appellante binnen de B.V.’s uitoefende en de posities die zij daarbinnen bekleedde.

6.1.7. Evenmin is gebleken van financieel-economische redenen op grond waarvan de in 1996 behaalde winsten van beide B.V.’s niet ten volle als arbeidsbeloning toe te rekenen zijn aan appellante.

6.1.8. Nu appellante het Uwv niet alle gegevens omtrent haar inkomen heeft verstrekt – de Raad verwijst in dit verband naar de door appellante niet bestreden passage op bladzijde 4 (onderaan) van het rapport van onderzoeker R. Bemelmans van 26 mei 2004 – is er geen aanleiding de toepassing van artikel 44 van de WAO met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te oordelen. De door appellante ingeroepen Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000 leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

6.1.9. Het beroep voor zover gericht geacht tegen bestreden besluit 4 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6.2.1. Bestreden besluit 5 betreft de terugvordering van appellante van een bedrag van € 4.619,21, zijnde de over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 januari 1997 onverschuldigd aan haar betaalde WAO-uitkering.

6.2.2. Hiertegen is namens appellante naar voren gebracht dat het Uwv weinig alert is geweest en eerst in de loop van 2003 tot actie is overgegaan. Deze actie is bovendien disproportioneel te achten.

6.2.3. Voor zover appellante hiermee heeft willen stellen dat het Uwv wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vijfde lid, van de WAO geheel of gedeeltelijk had dienen af te zien van de verplichte terugvordering van de onverschuldigd aan appellante betaalde WAO-uitkering, slaagt dat beroep niet.

6.2.4. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen kunnen blijkens de wetsgeschiedenis dringende redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Hetgeen namens appellante in dit verband is aangevoerd, wat daar verder van zij, behoort daartoe niet.

6.3.1. Bij bestreden besluit 6 heeft het Uwv de boete gerelateerd aan het bedrag van de benadeling, zoals neergelegd in bestreden besluit 5, en nader vastgesteld op € 462,--.

6.3.2. De Raad stelt vast dat appellante geen aparte beroepsgronden tegen de haar opgelegde boete heeft geformuleerd. Hiervoor heeft de Raad reeds vastgesteld dat appellante de mededelingsplicht heeft geschonden, nu uit de gedingstukken niet blijkt dat zij de haar toekomende winsten aan het Uwv heeft opgegeven als inkomsten uit arbeid. Het Uwv heeft haar dan ook terecht een boete opgelegd. De Raad is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van de oplegging van de boete had dienen af te zien. Ook anderszins is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden welke het Uwv hadden dienen te leiden tot matiging van de boete of het afzien van de oplegging van de boete.

6.3.3. De Raad concludeert dat ook bestreden besluit 6 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

7. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

7.1. In artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

7.2. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist en beslist het bestuursorgaan op het verzoek bij beslissing op het bezwaar.

7.3. Appellante heeft bij bezwaarschrift van 24 maart 2005 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 7 maart 2005. Daarbij is aangevoerd dat de boeteoplegging niet terecht is. Tevens is vergoeding verzocht van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Het Uwv heeft bij bestreden besluit 6 het boetebedrag verlaagd, want alsnog gerelateerd aan het benadelingsbedrag zoals nader bepaald bij bestreden besluit 5 en heeft in verband hiermee – zoals ter zitting door haar gemachtigde toegelicht – in zoverre zijn primaire besluit van 7 maart 2005 herroepen.

7.4. De Raad concludeert op grond hiervan dat dit herroepen besluit onrechtmatig was. Nu de Raad niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het onrechtmatig opleggen van het oorspronkelijke boetebedrag niet aan het Uwv is te wijten, komen de kosten die appellante in verband met de behandeling van haar bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken voor vergoeding in aanmerking.

7.5. Vastgesteld moet worden dat het Uwv in bestreden besluit 6 – in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb – ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de gevraagde vergoeding van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar.

7.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 6, voor zover dit besluit ziet op het niet nemen van een beslissing op het verzoek om een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure gegrond moet worden verklaard, en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

7.7. De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, het Uwv veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 322,- wegens verleende rechtsbijstand. Gelet hierop behoeft het Uwv geen besluit meer te nemen over de gevraagde kosten.

7.8. De Raad acht tevens termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 gegrond en vernietigt die besluiten;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 4 en 5 ongegrond;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 6 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarin geen beslissing is genomen op het verzoek om een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 6 voor het overige ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.610,--;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 216,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

TM