Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
07-2469 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Strafontslag. Plichtsverzuim. Depottekort. Horen niet-aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2469 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2007, 06/1885, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, extern adviseur, en [naam medewerker], werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was met ingang van 1 februari 2005 in tijdelijke dienst voor een jaar op proef werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam (GVB) in de functie van [functie]. Op 13 mei 2005 is er bij appellant een depottekort vastgesteld van € 495,35. Op 26 mei 2005 heeft hierover een verantwoordingsgesprek met appellant plaats-gevonden. Op 27 mei 2005 heeft appellant zich ziek gemeld. Na enkele vergeefse pogingen van de leidinggevende van appellant om met hem in contact te komen, is aan appellant bij brief van 31 mei 2005 opgedragen om onmiddellijk, doch uiterlijk op zaterdag 4 juni 2005 contact op te nemen. Appellant heeft hieraan op 6 juni 2005 gevolg gegeven. Bij brief van 24 juni 2005 is appellant uitgenodigd voor een verantwoordings-gesprek op 5 juli 2005. Ongeveer een half uur voor dit gesprek heeft appellant afgebeld.

1.2. Bij besluit van 13 juli 2005 heeft het college appellant met onmiddellijke ingang op grond van artikel 911, eerste lid, onder b, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) geschorst met gedeeltelijk behoud van bezoldiging op de grond dat hij voornemens is hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

1.3. Na bij brief van 12 juli 2005 het voornemen daartoe aan appellant te kennen te hebben gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 10 augustus 2005 op grond van artikel 1003, eerste lid, onder f, van het ARA bij wijze van disciplinaire maatregel met onmiddellijke ingang ontslag verleend.

1.4. Bij het bestreden besluit van 23 februari 2006 heeft het college zowel het schorsings- als het ontslagbesluit na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Namens appellant is in hoger beroep, samengevat, aangevoerd, dat het ontslagbesluit onzorgvuldig genomen is omdat het college de brief van 25 juli 2005, waarin hij zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag gaf, niet in de overwegingen heeft betrokken. Voorts heeft appellant gesteld dat bij de weging van het depottekort als plichtsverzuim een aantal omstandigheden ten onrechte niet is meegewogen. Met betrekking tot het niet in acht nemen van de regels bij ziekteverzuim stelt appellant dat de brochure met deze regels aan hem niet is uitgereikt en dat zijn leidinggevende wel op de hoogte was van zijn juiste telefoonnummer, zodat hij bereikbaar was. Tenslotte heeft appellant betoogd dat hij een goede reden had om het gesprek op 5 juli 2005 kort voor de aanvang daarvan af te zeggen. Appellant bestrijdt dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is.

3.1. Het college heeft hierop gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant is geschorst op de grond dat het voornemen bestond hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Met betrekking tot deze schorsing overweegt de Raad, zoals hij ook reeds eerder heeft gedaan in CRvB 15 augustus 1991, LJN ZB4529, TAR 1991, 184, dat het enkele feit dat een ontslagvoornemen bestaat ontoereikend is om van de bevoegdheid tot schorsing gebruik te maken. De Raad is van oordeel dat het college in redelijkheid het standpunt kon innemen dat het, gezien de aard van het aan appellant verweten plichtsverzuim en de aard van de functie, niet verantwoord was om appellant hangende de ontslagprocedure zijn werkzaamheden te laten verrichten en hem daartoe weer in het bezit te stellen van een volledig depot. Het college mocht de belangen van het GVB hierbij zwaarder laten wegen dan die van appellant. De opgelegde schorsing houdt dus stand.

4.2.1. Aan het opgelegde strafontslag heeft het college drie gedragingen van appellant ten grondslag gelegd.

Allereerst het op 13 mei 2005 geconstateerde depottekort en vervolgens het schenden van de regels bij ziekteverzuim door geen gevolg te geven aan de schriftelijke opdracht om uiterlijk op 4 juni 2005 contact op te nemen met zijn leidinggevende en het niet verschijnen op het verantwoordingsgesprek van 5 juli 2005.

4.2.2. Gebleken is dat de brief van 25 juli 2005, waarin namens appellant zijn zienswijze wordt gegeven omtrent het voorgenomen ontslag, bij het GVB in het ongerede is geraakt, als gevolg waarvan de inhoud hiervan niet betrokken is bij het ontslagbesluit. Voor zover hierdoor door het college gehandeld is in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de Raad van oordeel dat in dit geval met het horen van appellant in bezwaar dit gebrek voldoende is geheeld. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat op 26 mei 2005 inzake het depottekort reeds een verantwoordingsgesprek had plaats-gevonden en dat aan appellant vervolgens ook de - niet door hem benutte - gelegenheid is gegeven zich in het gesprek van 5 juli 2005 te verantwoorden voor het overtreden van de ziekteverzuimregels.

4.2.3. Bij appellant is een depottekort opgetreden, omdat hij de zich in het depot bevindende gelden had afgegeven aan een deurwaarder ter voorkoming van beslaglegging wegens een van zijn schulden. Het op deze wijze aanwenden van het aan hem toever-trouwde depot moet als ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt. Nu appellant zich er ook van bewust is geweest dat hij hiermee de voor het beheer van het depot geldende regels overtrad, is de mate waarin en de wijze waarop aan het depotbeheer aandacht is besteed in de [naam opleiding], die appellant juist had afgerond, niet van belang. Het moet ook voor appellant zonneklaar zijn geweest dat het ten eigen bate aanwenden van het depot onder alle omstandigheden absoluut niet is toegestaan. De omstandigheid dat appellant het tekort onmiddellijk en uit eigen beweging zou hebben gemeld doet aan de ernst van het plichtsverzuim niet af, temeer nu het opmaken van het depot toch al onderdeel zou zijn van het functioneringsgesprek, waarin appellant deze mededeling zou hebben gedaan.

4.2.4. Appellant heeft pas op 6 juni 2005 contact opgenomen met zijn leidinggevende, terwijl hem bij brief van 31 mei 2005 was medegedeeld dit onmiddellijk, doch uiterlijk op 4 juni 2005 te doen. Appellant heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven. De Raad acht hier sprake van strafwaardig plichtsverzuim, temeer nu appellant na zijn ziekmelding op 27 mei 2005 nog geen enkel contact met zijn werkgever had gehad en hij er bij brief van 11 april 2005 nog op was gewezen dat het niet opnemen van contact met de leiding-gevende tijdens ziekteverlof kan leiden tot disciplinaire maatregelen.

4.2.5. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad met betrekking tot het door appellant afzeggen van het gesprek op 5 juli 2005. Appellant heeft als reden daarvoor aangevoerd dat hij plotseling naar huis werd geroepen om zijn zoontje, die een driftbui had, te kalmeren. De Raad kan hierin geen zodanig dringende omstandigheid zien, dat appellant daardoor genoodzaakt was het voor hem zo belangrijke rechtspositionele gesprek met zijn werkgever op het laatste moment af te zeggen. Ook in het door appellant ter onder-steuning van zijn betoog overgelegde rapport van een jeugdzorginstelling ziet de Raad daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

4.2.6. Met de hiervoor vastgestelde gedragingen heeft appellant zich naar het oordeel van de Raad schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Het geheel van dit plichtsverzuim rechtvaardigt de oplegging van de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag. De omstandigheid dat een eerste vaststelling van een depottekort in het algemeen niet leidt tot onvoorwaardelijk ontslag kan niet tot een ander oordeel leiden, nu aan appellant meer plichtsverzuim wordt verweten dan alleen het depottekort. Appellant heeft met zijn gedrag laten zien dat hij, nog in zijn proeftijd verkerende, het met de geldende bedrijfsregels niet nauw neemt en op onjuiste gronden prioriteit geeft aan privézaken boven de belangen van zijn werkgever. De Raad acht de gekozen straf, waarmee het dienstverband met appellant wordt beëindigd, daarom niet onevenredig.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD