Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
07-6992 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUV-uitkering. Causaal verband tussen klachten en vervolging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6992 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (Israƫl) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 16 oktober 2007, kenmerk BZ 47134, JZ/F70/2007, ten aanzien van haar genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Appellante is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 7 september 1978 is vastgesteld dat appellante, geboren in 1933, vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet. Aan haar zijn bij dit besluit en latere besluiten diverse voorzieningen op grond van de Wet toegekend, waaronder een vergoeding voor niet meetbare invaliditeitskosten. Bij besluit van 11 januari 1990 is geweigerd aan haar een periodieke uitkering op grond van de Wet te verstrekken. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. In februari 2007 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering, indien dit gunstiger voor haar zou zijn dan de al aan haar verstrekte vergoeding voor niet meetbare invaliditeitskosten. Bij besluit van 6 april 2007 heeft verweerster hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. In beroep heeft appellante aangevoerd dat naast haar psychische klachten en hoofdpijn, waarvoor causaal verband met de vervolging is aanvaard, ook de bij haar geconstateerde osteoporose en het maagcarcinoom, waarvoor in 2002 en in 2005 operaties plaatsvonden, in causaal verband staan met de vervolging, nu voor die ziekten geen duidelijk andere oorzaken aanwezig zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft ze onder meer gewezen op twee medische publicaties. Voorts is aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesproken over darmklachten, terwijl het een maagcarcinoom betreft.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. Allereerst kan de Raad appellante volgen in haar grief dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesproken over darmklachten. Uit de gegevens die zijn gehanteerd bij het ten behoeve van het bestreden besluit uitgebrachte medisch advies blijkt echter dat de geneeskundig adviseur wel op de hoogte was van het juiste ziektebeeld van appellante. Nu verder bij nader advies van deze adviseur bij het verweerschrift het standpunt ten aanzien van het maagcarcinoom van appellante nog nader is onderbouwd, ziet de Raad hierin - mede gezien hetgeen hierna wordt overwogen - onvoldoende aanleiding om het bestreden besluit wegens een gebrekkige motivering te vernietigen.

4.2. Op grond van de in artikel 7, tweede lid, van de Wet geregelde zogenoemde omgekeerde bewijslast wordt het verband tussen het ontstaan of de verergering van een aandoening enerzijds en de relevante oorlogsomstandigheden anderzijds aanvaard, wanneer de aandoening niet duidelijk door andere oorzaken is ontstaan of verergerd, waarbij rekening wordt gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap. De Raad heeft met betrekking tot dit laatste steeds geoordeeld dat het moet gaan om algemeen aanvaarde medische inzichten met betrekking tot de relatie tussen het oorlogsgeweld en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand en verder dat volgens deze algemeen aanvaarde medische inzichten een andere oorzaak van de betreffende aandoening in beslissende mate waarschijnlijk is te achten.

4.3. De stelling van appellante dat toepassing van de omgekeerde bewijslast in haar geval met betrekking tot de osteoporose en het maagcarcinoom moet leiden tot aanvaarding van een verband als hiervoor bedoeld kan de Raad niet volgen.

4.3.1. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen volgt naar algemeen aanvaarde medische inzichten na een periode van ondervoeding op zeer jeugdige leeftijd een zodanig herstel dat van blijvende gevolgen voor de skeletconditie over het algemeen geen sprake is. Alleen wanneer onder bepaalde omstandigheden ernstige ondervoeding heeft plaats-gevonden op een leeftijd waarop er na de oorlog niet voldoende tijd is geweest voor inhaalgroei en er niet meer alsnog vorming van een adequate zogenoemde peak bone mass heeft kunnen plaatsvinden kan er aanleiding zijn een causaal verband te aanvaarden. Uitgegaan wordt van de leeftijd van 20 tot 30 jaar als leeftijd waarop deze adequate peak bone mass wordt bereikt. In de door appellante ingediende gegevens, die niet algemeen worden gedragen door de medische wetenschap, heeft de Raad onvoldoende aanleiding gevonden om in het geval van appellante, die aan het einde van de oorlog 12 jaar was, hierover anders te oordelen of om te aanvaarden dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie.

4.3.2. Ten aanzien van het maagcarcinoom overweegt de Raad dat hij het standpunt van verweerster dat deze ziekte door duidelijk andere oorzaken is ontstaan voldoende onderbouwd acht met het nader uitgebrachte medisch advies. Hierin is aangegeven dat maagkanker een degeneratieve en leeftijdgebonden aandoening is, bij het ontstaan waarvan constitutionele factoren, de bacterie Helicobacter pylori, bepaalde voedingsgewoonten, roken en alcohol een rol kunnen spelen en dat geen relatie is te leggen met de vervolging van appellante.

5. Gezien het vorenstaande treffen de grieven van appellante geen doel en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD