Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
07-6345 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6345 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 oktober 2007 kenmerk BZ 7674, JZ/F60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een toeslag als bedoeld in art 19 van de Wet. Appellante heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist, op de grond - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in het voormalige Nederlands-Indië lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, dan wel tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de vijandelijke bezettende macht.

2.2. Als relevante gebeurtenissen heeft appellante naar voren gebracht dat zij tijdens de Japanse bezetting internering heeft ondergaan in het kamp Tandjung Perak te Soerabaja, alwaar zij getuige is geweest van gewelddadigheden tegen haar broer en moeder. Verder heeft appellante aangegeven dat zij bombardementen heeft meegemaakt op de Gregeslaan te Soerabaja alwaar zij op dat moment woonde.

2.3. Op grond van de voorhanden gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de oorlogsjaren in het voormalige Nederlands-Indië getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

2.4. Met betrekking tot het gestelde verblijf in Tandjung Perak overweegt de Raad dat uit de beschikbare gegevens naar voren komt dat het kamp Tandjung Perak in de Japanse tijd tot september 1942 een werkkamp is geweest voor krijgsgevangenen en voor een groep van ongeveer 400 (mannelijke) burgers; van september 1942 tot december 1944 is het kamp in gebruik geweest als doorgangskamp voor krijgsgevangenen. Dat in Tandjung Perak sprake is geweest van een algemeen burgerinterneringskamp blijkt niet uit de veelheid van historische gegevens. Weliswaar heeft appellante in beroep gewezen op de door [getuige], wonende te [E.], ingediende getuigenverklaring, maar de Raad is met verweerster van oordeel dat deze verklaring niet kan dienen als een bevestiging van de door appellante gestelde internering. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat [getuige] in het kader van de Wet wel is erkend als burger-oorlogsslachtoffer, maar niet op grond van de door hem gestelde (burger)internering in Tandjung Perak maar vanwege een kortdurende internering door Indonesiërs tijdens de Bersiap-periode.

2.5. Wat betreft de door appellante gemelde gewelddadigheden tegen haar moeder en broer is de Raad van oordeel dat buiten de eigen verklaring van appellante van deze gebeurtenissen geen bevestiging is verkregen. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van diens eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Dergelijke gegevens ontbreken.

2.6. Ten aanzien van het meemaken van bombardementen op Soerabaja heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht overwogen dat niet is gebleken dat appellante daarbij direct betrokken is geweest. Daargelaten dat specifieke gegevens ontbreken van het getroffen zijn van de Gregeslaan bij bombardementen, ontbreekt ook enige aanduiding op welke wijze appellante bij een bombardement direct betrokken is geweest zoals het al dan niet gewond zijn geraakt of een confrontatie met het omkomen of verwonden van naasten bij de bombardementen.

3. Uit het bovenstaande volgt dat de door appellante genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden en het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

18.08