Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
07-6235 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de aanvraag: niet is vastgesteld dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6235 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 21 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 september 2007, kenmerk BZ 47207, JZ/R60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren op 29 februari 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd is geweest in kampen te Medan en Pemantang Siantar.

2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 12 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. In artikel 2 van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

3.2. Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder gegevens die door de broers [broer 1] en [broer 2] in het kader van een eigen aanvraag op grond van de Wet zijn verstrekt, heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant tijdens de Japanse bezetting vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Hierbij acht de Raad doorslaggevend dat de (oudere) broer [broer 1] ten behoeve van zijn in oktober 2002 gedane aanvraag heeft verklaard dat het gezin woonachtig was in Langsa en dat zijn vader op een zeker moment (in 1943) met vele anderen is opgepakt; na vernomen te hebben dat zijn vader opgesloten zat in de gevangenis van Pematang Siantar, besloot zijn moeder met haar kinderen hem te gaan opzoeken. Vervolgens is aangegeven dat zijn moeder in Pematang Siantar onderdak vond bij een vrouw van wie de echtgenoot eveneens in de gevangenis zat en dat na de capitulatie van Japan zijn vader in september 1945 is bevrijd, waarna het gezin zijn intrek nam in het hotel Siantar te Pematang Siantar. Weliswaar heeft de broer van appellant, [broer 2], in het kader van zijn aanvraag gesteld dat hij eveneens internering heeft ondergaan in Medan en Pematang Sianter, maar de Raad is - met verweerster - van oordeel dat dit niet in overeenstemming is met de in maart 2003 door hem afgegeven verklaring, waarin hij het relaas van zijn broer [broer 1] heeft onderschreven.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onder 3 geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord en het ingestelde beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

26.07