Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
07-4398 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering na definitieve vaststelling van eerder voorlopig berekend buitengewoon pensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4398 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], Frankrijk (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 23 mei 2007, kenmerk 43265 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008, waar appellant niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1918, is erkend als deelnemer aan het verzet in de zin van de Wet en ontvangt als zodanig een buitengewoon pensioen.

1.2. Bij schrijven van 16 augustus 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de definitieve vaststelling van zijn buitengewoon pensioen over de jaren 2000 tot en met 2002. Hiertoe heeft appellant vooral aangevoerd dat de bij deze vaststelling becijferde teveelbetaling aan buitengewoon pensioen niet van hem kan worden teruggevorderd nu, zoals door verweerster eerder was vastgesteld ten aanzien van het jaar 1999, ook aan deze teveelbetaling geen opzet of grove nalatigheid van zijn kant als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet ten grondslag ligt.

Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging - samengevat - dat de vaststelling van het over de jaren 2000 tot en met 2002 aan appellant toekomend buitengewoon pensioen, anders dan het door hem genoemde besluit over het jaar 1999, niet berust op de bijzondere (herzienings)bepalingen van artikel 42 van de Wet maar niet meer is dan de gebruikelijke definitieve berekening ingevolge artikel 12 van de Wet van eerder voorlopig berekend pensioen.

1.3. In beroep heeft appellant zijn grief betreffende de toepassing van artikel 42 van de Wet gehandhaafd.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Naar verweerster in het bestreden besluit uitvoerig heeft uiteengezet bevat artikel 42 van de Wet bepalingen over herziening ten nadele van de betrokkene van eerdere definitieve besluiten tot vaststelling van buitengewoon pensioen. Aan zodanige herziening en eventueel daaruit voortvloeiende terugvordering zijn bijzondere voorwaarden verbonden. Van een zodanige herziening is, naar uit de gedingstukken blijkt, bij de nu voorliggende besluiten over de jaren 2000 tot en met 2002 geen sprake. Het gaat hier, naar verweerster in het bestreden besluit eveneens terecht heeft vermeld, om een definitieve vaststelling van eerder voorlopig berekend buitengewoon pensioen als bedoeld in artikel 12 van de Wet. De in dit artikel opgenomen bepalingen, die dwingendrechtelijk van aard zijn, geven aan dat de inkomsten welke voor verrekening met het buitengewoon pensioen in aanmerking komen aanvankelijk voorlopig worden geschat en na afloop van het kalenderjaar definitief moeten worden vastgesteld, waarna hetgeen teveel aan buitengewoon pensioen blijkt te zijn betaald dient te worden verhaald op de gepensioneerde of diens rechtverkrijgende(n). De vraag of van een eventueel daarbij geconstateerde teveelbetaling aan de gepensioneerde enig verwijt kan worden gemaakt speelt hierbij geen rol.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de in beroep namens appellant aangevoerde grief niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

04.08