Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
06-6243 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet maar de de aanvraag tot erkenning is afgewezen: ten tijde van belang was betrokkene woonachtig in Canada en had zij niet de Nederlandse nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6243 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], Canada (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 8 september 2006, kenmerk BZ 7056, JZ/C60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In september 2005 heeft appellante, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.

Bij besluit van 3 februari 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster erkend dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet doch de aanvraag niettemin afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellante ten tijde van belang in Canada woonachtig was en niet de Nederlandse nationaliteit had, terwijl geen sprake is van bijzondere (medische) omstandigheden op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn om de Wet niet toe te passen.

1.2. In bezwaar en beroep heeft appellante het standpunt van verweerster uitvoerig bestreden. Hierbij heeft zij er onder meer op gewezen dat zij in 1986 nog een verlenging van haar Nederlands paspoort tot 1991 heeft verkregen.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Vaststaat dat appellante niet voldoet aan het voor toepassing van de Wet ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, zoals dit ten tijde van belang luidde, geldende vereiste dat het burger-oorlogsslachtoffer op de datum van de aanvraag hier te lande is gevestigd.

Verder blijkt uit de gedingstukken dat appellante, die toen woonachtig was in de Verenigde Staten, op 21 december 1973 de Amerikaanse nationaliteit heeft verworven in verband waarmee, naar is vastgesteld door het ministerie van Buitenlandse zaken, haar Nederlandse nationaliteit verloren is gegaan, zodat de paspoortverlenging in 1986 ten onrechte is geschied. Uit die gegevens blijkt ook dat appellante de Nederlandse nationaliteit ten tijde van belang nog niet had herkregen; dit is pas op 4 juli 2006 gebeurd. Hiermee staat vast dat appellante ook ten tijde van belang niet voldeed aan het in genoemd artikelonderdeel vervatte vereiste dat het burger-oorlogsslachtoffer de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet, zoals dit ten tijde van belang luidde, kan verweerster de Wet tevens van toepassing verklaren op het burger-oorlogsslachtoffer dat niet aan de in het eerste lid vermelde eisen voldoet, doch ten aanzien van wie het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Verweerster heeft voor toepassing van deze bepaling geen aanleiding gezien omdat niet is kunnen blijken van een medische indicatie voor emigratie naar de Verenigde Staten. Ook anderszins is verweerster van bijzondere omstandigheden niet kunnen blijken.

2.2.2. De in artikel 3, zesde lid, van de Wet vervatte bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

De voorhanden gegevens overziende is de Raad tot een zodanige slotsom niet kunnen komen. Dat zich een - blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de onderhavige bepaling voor ogen staande - buiten de wil of invloedssfeer van appellante gelegen omstandigheid voor vertrek naar de Verenigde Staten heeft voorgedaan is niet naar voren gekomen.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard. Wel merkt de Raad ter voorlichting van appellante nog op dat het in artikel 3, eerste lid, onder a, vervatte vereiste van gevestigd zijn in Nederland op het moment van de aanvraag is komen te vervallen met ingang van 16 mei 2008.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

04.08