Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
06-4218ZW+07-6176ZW+07-1367WAO+07-4487WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moederbesluit. Voorafgaand herzieningsbesluit. Vaststelling inkomsten zelfstandige.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 30a
Ziektewet 31
Ziektewet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4218 ZW

07/6176 ZW

07/1367 WAO

07/4487 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 15 juni 2006, 04/6566 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 25 januari 2007, 04/5717 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, medewerker van SRK Rechtsbijstand

te Zoetermeer, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft in het geding 06/4218 ZW en 07/6176 ZW op 5 november 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde, mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich in het geding 06/4218 ZW en 07/6176 ZW laten vertegenwoordigen door J. Knufman. In het geding 07/1367 WAO en 07/4487 WAO heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als inspanningsfysiologe, is op 11 augustus 1999 uitgevallen met vermoeidheidsklachten. Van 12 november 1999 tot 9 augustus 2000 heeft zij een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Medio juli 2000 heeft appellante een eigen bedrijf, genaamd [naam eigen bedrijf], opgericht. Voorts is zij vanaf eind 1999 werkzaamheden gaan verrichten voor het bedrijf [naam B.V.] Met ingang van 9 augustus 2000 is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Nadat bij het Uwv het vermoeden was gerezen dat appellante van de in 1.1 bedoelde werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten niet onverwijld uit eigen beweging aan het Uwv mededeling had gedaan, is in 2001 een fraudeonderzoek ingesteld. Hiervan is op 13 mei 2002 een rapport uitgebracht.

06/4218 ZW en 07/6176 ZW

2.1. Naar aanleiding van het in 1.2 genoemde rapport is bij besluit van 18 maart 2003 over de periode van 12 november 1999 tot 9 augustus 2000 een bedrag van € 8.689,42 aan te veel betaalde ZW-uitkering van appellante teruggevorderd. Namens appellante is hiertegen bezwaar gemaakt. Hangende dit bezwaar is bij besluit van 19 maart 2004 besloten de door appellante genoten ZW-uitkering, wegens inkomsten uit arbeid over de periode van 12 november 1999 tot 9 augustus 2000, niet uit te betalen. Namens appellante is hiertegen (eveneens) bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van

30 november 2004 (besluit I) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 18 maart 2003 en 19 maart 2004 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak I het beroep tegen besluit I ongegrond verklaard. In dit kader heeft de rechtbank onder meer overwogen dat, hoewel aan het besluit van 18 maart 2003 ten onrechte geen herzieningsbeslissing ten grondslag lag, dit gebrek in voldoende mate is hersteld door middel van het besluit van 19 maart 2004.

4.1. Zoals vermeld in rubriek I, heeft het Uwv hangende hoger beroep, op 5 november 2007, een nieuw besluit op bezwaar genomen (besluit II). Hierbij zijn de bezwaren tegen de besluiten van 18 maart 2003 en 19 maart 2004 gegrond verklaard, in die zin dat de ZW-uitkering wegens inkomsten uit arbeid over de periode van 1 december 1999 tot en met 8 augustus 2000 wordt herzien en niet - volledig - tot uitbetaling komt en het terug te vorderen bedrag over genoemde periode wordt verlaagd tot een bedrag van € 5.721,08. Hierbij is aangegeven dat de besluiten van 18 maart 2003 en 19 maart 2004 in zoverre worden herroepen. Voorts is hierbij vermeld dat verrekening zal plaatsvinden met een vordering in het kader van de WAO-uitkering.

4.2. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat besluit II (ook) niet in stand kan blijven, nu nog steeds geldt dat voorafgaand aan het terugvorderingsbesluit geen herziening van de ZW-uitkering heeft plaatsgevonden. Voorts is aangevoerd dat de in dit besluit toegepaste berekeningswijze van de winst uit het bedrijf [naam eigen bedrijf] niet juist is. Verder zijn namens appellante de inkomsten uit de werkzaamheden voor het bedrijf [naam B.V.], althans de ontvangst daarvan, bestreden en is ook ten aanzien van deze werkzaamheden aangevoerd dat de toegepaste berekeningswijze niet juist is.

In dit kader is tevens betoogd dat deze inkomsten niet in een aparte berekening hadden mogen worden opgevoerd maar bij de berekening van voormelde winst uit onderneming hadden moeten worden meegenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante verzocht om aanhouding van de procedure om haar standpunt, door middel van recentelijk opgekomen rekeningen van appellante aan laatstgenoemd bedrijf, nader te kunnen onderbouwen.

5.1. De Raad ziet allereerst geen aanleiding om het namens appellante gedane verzoek om aanhouding in te willigen, nu appellante ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om haar standpunt door middel van concrete bescheiden nader te onderbouwen.

5.2. Het Uwv heeft bij besluit II (impliciet) aangegeven besluit I niet langer te handhaven. Nu de rechtbank bij de aangevallen uitspraak I het beroep tegen besluit I ongegrond heeft verklaard, volgt hieruit dat aangevallen uitspraak I moet worden vernietigd, dat het beroep tegen besluit I gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit eveneens moet worden vernietigd.

5.3. Aangezien met besluit II aan het beroep van appellante tegen besluit I niet geheel is tegemoetgekomen wordt dit beroep, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht mede te zijn gericht tegen besluit II.

5.4. De Raad overweegt met betrekking tot besluit II als volgt.

5.4.1. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van ziekengeld of trekt hij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld.

5.4.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de ZW is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens loon en inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking ontvangt, verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uwv in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel ontvangt de verzekerde aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmee zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft. Ingevolge het derde lid van dit artikel, worden voor de toepassing van het tweede lid onder loon mede verstaan inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking, met dien verstande dat deze inkomsten buiten aanmerking blijven, voor zover deze ook reeds werden verworven onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.

5.4.3. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

5.4.4. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 20 juni 2007, LJN: BA8437) dient een terugvorderingsbesluit te berusten op een intrekkings-, herzienings- of anticumulatiebesluit dat voorafgaand aan of tegelijk met het terugvorderingsbesluit is genomen. Deze eis vloeit voort uit artikel 33, eerste lid, van de ZW. De Raad stelt vast dat het onderhavige terugvorderingsbesluit van 18 maart 2003 niet berust op een daaraan voorafgaand of daarmee tegelijk genomen intrekkings-, herzienings- of anticumulatiebesluit. Dat op 19 maart 2004 (wel) een herzienings- en anticumulatiebesluit is genomen, kan hier niet aan afdoen. Evenmin kan hieraan af doen het feit dat na heroverweging in bezwaar (tot tweemaal toe) tegelijkertijd op de bezwaren tegen de besluiten van 18 maart 2003 en 19 maart 2004 is beslist. Hieruit volgt dat dit terugvorderingsbesluit - en in het verlengde daarvan besluit II, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op dit terugvorderingsbesluit - de vereiste wettelijke grondslag ontbeert. Dit betekent dat besluit II in zoverre (eveneens) voor vernietiging in aanmerking komt.

5.4.5. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het in zoverre te vernietigen besluit II met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven. In dit kader dient allereerst de vraag te worden beantwoord of besluit II, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het herzienings- en anticumulatiebesluit, in rechte kan stand houden.

5.4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht. Verder staat vast dat appellante deze werkzaamheden en de hieruit voortvloeiende inkomsten, in welke omvang dan ook, (deels) niet onverwijld uit eigen beweging aan het Uwv heeft gemeld.

5.4.7. In een situatie als de onderhavige, waarin door de betrokkene niet is voldaan aan de op hem rustende mededelingsverplichting en tevens door een gebrekkige boekhouding van de betrokkene onduidelijk is hoe hoog de feitelijk gerealiseerde inkomsten zijn, stelt het Uwv de hoogte daarvan (achteraf) schattenderwijs vast. De Raad is van oordeel dat het Uwv hierbij niet op een onjuiste wijze te werk is gegaan. In dit kader heeft de Raad het volgende overwogen.

5.4.8. Blijkens informatie van de Belastingdienst van 10 april 2002 heeft appellante in het jaar 2000 als zelfstandige winst uit onderneming van het bedrijf [naam eigen bedrijf] genoten ter grootte van een bedrag van fl. 15,359,-- (€ 6.969,61). Het Uwv heeft deze ’inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking’ in zijn in besluit II neergelegde berekening per (uitkerings)dag ’uitgesmeerd’ over het gehele jaar 2000.

5.4.9. Naar vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 22 oktober 2004, LJN: AR4984 en 8 september 2006, LJN: AY8759) dient de omvang van de inkomsten van een zelfstandige in het kader van de WAO en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te worden bepaald aan de hand van in een boekjaar behaalde inkomsten. Die inkomsten dienen in beginsel gelijkelijk te worden toegerekend aan alle samenstellende tijdvakken van dat jaar. De Raad ziet geen aanleiding om in het kader van de onderhavige procedure ingevolge de ZW anders te oordelen en acht de in dit geval gehanteerde berekening(swijze) derhalve niet onjuist. Hieraan doet naar het oordeel van de Raad niet af dat, blijkens de in 5.4.8 genoemde informatie van de Belastingdienst, de omzet van het bedrijf [naam eigen bedrijf] eerst in het derde kwartaal 2000 is gerealiseerd. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante, blijkens genoemde informatie van de Belastingdienst, in het jaar 2000 zelfstandigenaftrek heeft genoten. Daarnaast is in aanmerking genomen dat appellante, blijkens zich bij de stukken bevindende facturen, reeds in 1999 investeringen ten behoeve van het bedrijf [naam eigen bedrijf] heeft gedaan.

5.4.10. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat appellante werkzaamheden heeft verricht voor [naam B.V.] Het Uwv heeft de hieruit voortvloeiende inkomsten in besluit II apart van de in 5.4.8 genoemde winst uit onderneming berekend. Ter onderbouwing hiervan heeft het Uwv verwezen naar een faxbericht van administratiekantoor Kievits. Het Uwv heeft de hierin per maand gefactureerde bedragen per (uitkerings)dag ’uitgesmeerd’ over de betreffende periode.

5.4.11. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 16 december 1992, LJN: AK9774) dient, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, te worden bezien welke tijdsperiode een redelijke grondslag biedt voor de in artikel 31, tweede lid, van de ZW beoogde vergelijking. Naar het oordeel van de Raad biedt de onderhavige vergelijking onder de gegeven omstandigheden geen onredelijke uitkomst. De Raad ziet ook overigens geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv gehanteerde berekening(swijze), ook niet waar het gaat om het apart van de winst uit onderneming berekenen van deze inkomsten. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante van haar kant geen concrete, verifieerbare gegevens heeft ingebracht die in een andere richting wijzen. Ten aanzien van de ter zitting naar voren gebrachte grief van appellante met betrekking tot het ten onrechte in de berekening opnemen van de BTW, overweegt de Raad dat de BTW weliswaar onderdeel uitmaakt van de onderhavige berekening, maar dat de Raad geen aanleiding ziet om hieraan gevolgen te verbinden, nu niet is gebleken dat appellante in dit geval de BTW daadwerkelijk heeft afgedragen.

5.4.12. Uit hetgeen in 5.4.1 tot en met 5.4.11 is overwogen volgt dat besluit II, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het herzienings- en anticumulatiebesluit, in rechte stand kan houden. Hieruit volgt dat (een deel van) de aan appellante uitbetaalde ZW-uitkering onverschuldigd is betaald. De Raad stelt vast dat de hoogte van het op grond hiervan van appellante terug te vorderen bedrag aan ZW-uitkering ad € 5.721,08 niet tussen partijen in geschil is en dat namens appellante ook overigens geen specifieke grieven tegen dit besluit zijn aangevoerd.

5.4.13. Uit hetgeen in 5.4.12 is overwogen volgt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre te vernietigen besluit II in stand kunnen blijven.

6. De Raad wijst de door appellante gevorderde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af, nu het in verband met de verrekening van een vordering in het kader van de WAO-uitkering, niet zonder meer vaststaat of en zo ja, hoeveel schade is geleden.

07/1367 WAO en 07/4487 WAO

7.1. Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak II. De Raad volstaat hier met het volgende.

7.2. Zoals reeds blijkt uit het in 1.1 overwogene heeft appellante in het jaar 2000 werkzaamheden verricht voor haar bedrijf [naam eigen bedrijf]. Aansluitend is appellante per 1 januari 2001 werkzaamheden gaan verrichten voor het bedrijf [naam bedrijf]. Per 1 augustus 2002 is appellante in dienst getreden bij de [naam school] als docent/coach, aanvankelijk voor acht uur per week, later voor 16 uur per week, en uiteindelijk per 1 februari 2003 voor 24 uur per week.

7.3. Naar aanleiding van het in 1.2 bedoelde fraudeonderzoek is op 29 december 2003 over de periode van 9 augustus 2000 tot 24 november 2003 achtereenvolgens een zestal besluiten genomen. De eerste vijf besluiten betreffen alle anticumulatie van de WAO-uitkering van appellante met de door haar uit de in 7.2 genoemde werkzaamheden voortvloeiende inkomsten. Het zesde besluit betreft een intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 24 november 2003. Verder is bij besluit van 13 januari 2004 de over de periode van 9 augustus 2000 tot 1 april 2003 onverschuldigd aan appellante betaalde WAO-uitkering van € 25.853,34 teruggevorderd. Namens appellante is tegen al deze besluiten bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar is namens appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Bij het bestreden besluit van

17 december 2004 (besluit III) zijn de bezwaren van appellante tegen het eerste anticumulatiebesluit en het terugvorderingsbesluit alsnog gegrond verklaard en tegen de overige besluiten alsnog ongegrond verklaard. Hierbij is besloten de WAO-uitkering met betrekking tot het eerste anticumulatiebesluit uit te betalen als ware appellante voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt. Nadien is bij brief van 27 maart 2006 het terug te vorderen bedrag verlaagd tot € 25.532,76.

8. De brief van 27 maart 2006 is door de rechtbank als een aanvulling van de motivering van besluit III beschouwd. De rechtbank heeft het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen besluit III gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor wat betreft de onderdelen die betrekking hebben op de anticumulatiebesluiten en het intrekkingsbesluit, en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt ten aanzien van het terugvorderingsbesluit. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 20 februari 2007 (besluit IV) het terug te vorderen bedrag (verder) verlaagd tot € 24.619,94.

9. Aangezien met besluit IV aan het beroep van appellante tegen besluit III, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het terugvorderingsbesluit, niet geheel is tegemoetgekomen, wordt dit beroep, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van besluit IV.

10. Met betrekking tot het namens appellante in hoger beroep gedane beroep op de lange duur van de besluitvorming van het Uwv, overweegt de Raad allereerst het volgende. Vastgesteld moet worden dat de termijn waarbinnen het Uwv op de bezwaren van appellante van 2 februari 2004 had dienen te beslissen, welke termijn ingevolge artikel 87d van de WAO, in afwijking van artikel 7:10 van de Awb, 17 weken bedroeg, ruimschoots is overschreden. Eerst bij beslissing op bezwaar van 17 december 2004 zijn de bezwaren van appellante deels (on)gegrond verklaard. De Raad ziet evenwel geen reden om aan die overschrijding in rechte consequenties te verbinden, nu niet is gebleken dat appellante daardoor op zichzelf nadeel heeft ondervonden.

11. De Raad stelt vast dat, gezien de gronden van het hoger beroep, het hoger beroep voor het overige slechts is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit III, voor wat betreft de onderdelen die betrekking hebben op de anticumulatiebesluiten en het intrekkingsbesluit.

11.1. Het Uwv heeft zich, voor wat betreft de onderdelen van besluit III die betrekking hebben op de anticumulatiebesluiten, gebaseerd op de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen I.L.C. van Lier van 24 november 2003 en L.P. Spaans van 23 november 2004. Hierbij zijn de inkomsten over de periode van 9 augustus 2000 tot 24 november 2003 deels schattenderwijs en deels aan de hand van verschillende concrete inkomensgegevens vastgesteld. Appellante heeft in dit kader geen - concrete - grieven naar voren gebracht. De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding om de vaststelling van de hoogte van de betreffende inkomsten onjuist te achten en onderschrijft in zoverre de overwegingen van de rechtbank op dit punt.

11.2. De Raad overweegt met betrekking tot de in dit kader in hoger beroep naar voren gebrachte grieven het volgende. Het beroep van appellante op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad kon het appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de door haar over de in 11.1 genoemde periode ontvangen inkomsten, reeds gezien de hoogte daarvan, van invloed zouden kunnen zijn op de uitbetaling van haar WAO-uitkering. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin, nu in het onderhavige geval niet is gebleken van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen door het Uwv die bij appellante gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De grief van appellante dat aan het frauderapport geen rechtens relevante waarde toekomt, nu dat niet door haar is ondertekend, slaagt ook niet, aangezien het in dit geval gaat om een verklaring ten overstaan van een bevoegde autoriteit, namelijk een opsporingsambtenaar van het Uwv, waaraan naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 9 december 2005, LJN: AU7736) groot gewicht toekomt en in beginsel wordt vastgehouden. De Raad ziet geen aanleiding om hierop in dit geval een uitzondering te maken.

11.3. Desgevraagd is namens appellante ter zitting bevestigd dat tegen besluit III, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het intrekkingsbesluit, geen - concrete - bezwaren (meer) bestaan. De Raad stelt vast dat besluit III in zoverre niet meer in geding is.

11.4. De Raad overweegt met betrekking tot besluit IV als volgt. Namens appellante is in hoger beroep de hoogte van het - uiteindelijke - terugvorderingsbedrag van € 24.619,94 niet bestreden. De Raad ziet in zoverre dan ook geen aanleiding om dit besluit voor onjuist te houden. De grief van appellante dat een herzieningsbesluit (met terugwerkende kracht) eerst rechtens onaantastbaar dient te zijn, alvorens tot terugvordering van teveel betaalde uitkering kan worden overgegaan, slaagt evenmin. De Raad wijst daarbij onder meer op zijn in 5.4.4. reeds genoemde uitspraak van 20 juni 2007. De grief van appellante dat besluit IV een dictum ontbeert en reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt, slaagt ook niet. Naar het oordeel van de Raad dient deze omissie als een kennelijke verschrijving te worden opgevat, nu de inhoud en strekking van dit besluit over het daarbij behorende dictum geen misverstand laten bestaan. De Raad overweegt voorts dat, voor zover het beroep van appellante op de lange duur van de besluitvorming (tevens) verstaan zou moeten worden als een beroep op een dringende reden als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO, dit volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 21 februari 2007, LJN: AZ9126) ook niet slaagt. De Raad merkt tot slot op dat in een geding als het onderhavige, anders dan appellante meent, geen plaats is voor een oordeel van de Raad met betrekking tot de vraag in hoeverre bij appellante sprake is van verwijtbaarheid.

11.5. Uit hetgeen in 11.1 tot en met 11.4 is overwogen volgt dat aangevallen uitspraak II, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep, voor zover dat gericht moet worden geacht tegen besluit IV, ongegrond moet worden verklaard.

12. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv in het geding 06/4218 ZW en 07/6176 ZW te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 15 juni 2006;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep, voor zover dat gericht moet worden geacht tegen het besluit van 5 november 2007, gegrond en vernietigt dat besluit, voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het terugvorderingsbesluit van 18 maart 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit van 5 november 2007 in stand blijven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 25 januari 2007, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep, voor zover dat gericht moet worden geacht tegen het besluit van 20 februari 2007, ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het geding 06/4218 ZW en 07/6176 ZW in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in het geding 06/4218 ZW en 07/6176 ZW betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat- van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

RB