Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
07-622WAO+07-623WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op, gevolgd door intrekking WAO-uitkering. Weigering toeslag. Terugvordering. Fraudeonderzoek. Niet gemelde inkomsten familiebedrijf. Inkomen juist vastgesteld? Zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/622 WAO

07/623 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 december 2006, 06/1294 en 06/1697 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Namens appellant is mr. M.M. Haverkort, kantoorgenote van mr. Deijkers, verschenen. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 16 september 1980 werkzaam geweest als medewerker van een kaaspakhuis. Bij een bedrijfsongeval op 31 oktober 1980 is appellant ernstig gewond geraakt, waarna zijn rechterarm is geamputeerd. Vanaf

2 november 1981 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op basis van de resultaten van een onderzoek naar premie- en uitkeringsfraude door de opsporingsdienst van het Uwv in aansluiting op een grootschalig onderzoek inzake belastingfraude, uitgevoerd door de belastingdienst/FIOD/ECD, heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 28 oktober 1999 zodanige inkomsten uit arbeid heeft genoten dat vanaf die datum geen sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit. Van die inkomsten heeft appellant geen opgave gedaan aan het Uwv.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 28 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv de eerder genomen besluiten, waarbij is bepaald dat appellants WAO-uitkering over de periode van 28 oktober 1999 tot 1 januari 2003 in verband met zijn inkomsten uit arbeid niet tot uitbetaling komt, zijn WAO-uitkering per 1 januari 2003 is ingetrokken en is bepaald dat appellant vanaf 28 oktober 1999 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (Tw), gehandhaafd. Bij besluit op bezwaar van 25 april 2006 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het besluit van 16 december 2005, waarbij de aan appellant onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge de WAO en de Tw over de periode van 28 oktober 1999 tot en met 31 december 2005 ten bedrage van € 77.362,02 zijn teruggevorderd, eveneens gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beide bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant betwist dat hij, zoals door het Uwv is aangenomen en door de rechtbank is onderschreven, als feitelijk eigenaar/bestuurder van meerdere ondernemingen kan worden aangemerkt. Volgens appellant was hij uitsluitend in 1999 eigenaar van het bedrijf, een soort sociale werkplaats voor Turkse personen met psychische problemen. In verband met de slechte resultaten van dit bedrijf alsmede de te zware fysieke belasting van de werkzaamheden heeft appellant het bedrijf in januari 2000 overgedragen aan een broer. Nadien heeft appellant zijn zoon geholpen bij het opzetten van een andere onderneming. Vanuit zijn activiteiten als hulpverlener, waarvan het Uwv op de hoogte was, en zijn cultuur heeft appellant uitsluitend familieleden geholpen bij het opstarten van hun bedrijven. Hij heeft niet meer dan marginale hand- en spandiensten verricht onder meer door relaties van bedrijven, die behoorden tot zijn netwerk, in contact te brengen met zijn familieleden die eigenaar waren van de bedrijven.

3.2. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv klakkeloos de onderzoeksgegevens van de belastingdienst inzake de fiscale winst van verschillende ondernemingen heeft overgenomen bij de vaststelling van zijn inkomsten in de jaren 1999 tot en met 2003. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat de inkomsten, waarvan het Uwv is uitgegaan, gelijk zijn aan een totaalbedrag aan facturen ad € 117.778,-, terwijl geen rekening is gehouden met gemaakte kosten. Voorts heeft het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden met een openstaande vordering over de periode december 2001 tot en met januari 2003 ten bedrage van € 77.586,06. Bovendien heeft het Uwv, anders dan de belastingdienst, bij de berekening van de inkomsten geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek. Tevens heeft appellant aangevoerd dat het Uwv slechts heeft aangenomen dat de verdiensten daadwerkelijk hem ter beschikking hebben gestaan. Volgens appellant heeft hij voor zijn activiteiten incidenteel een cadeautje ontvangen en heeft hij nimmer inkomsten genoten.

3.3. Naar de mening van appellant is hij onredelijk benadeeld doordat het Uwv niet met de nodige voortvarendheid onderzoek heeft ingesteld. Bij onderzoek door medewerkers van het Uwv begin 2002 en vervolgens in november 2004 was al de indruk ontstaan dat appellant feitelijk de werkgever was, respectievelijk zich schuldig maakte aan uitkeringsfraude, terwijl zijn uitkering pas veel later is aangepast.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat appellant van 28 oktober 1999 tot 1 augustus 2000 in het handelsregister geregistreerd heeft gestaan als degene voor wiens rekening de eenmanszaak [naam eenmanszaak] werd gedreven. Als bedrijfsomschrijving was opgenomen dat het bedrijf zich bezig houdt met verpakken en vouwen van verschillende producten, administratieve dienstverlening, en het geven van handelsadvies en begeleiding voor de Turkse markt. Met ingang van 1 januari 2000 is de naam van het bedrijf gewijzigd in [naam bedrijf]. In de periode van

1 juli 2000 tot 1 maart 2001 heeft, een schoonzus van appellant, geregistreerd gestaan als eigenaar van [naam bedrijf 2], ook bekend onder de naam [naam uitzendbureau]. Van 1 maart 2001 tot en met 31 december 2001 stond, een nicht van appellant, geregistreerd als eigenaresse van [naam bedrijf 2]. Vanaf 1 oktober 2001staat, een zoon van appellant, geregistreerd als eigenaar van [uitzendbureau 2], dat vanaf 1 januari 2002 een nevenvestiging heeft onder de naam [naam nevenvestiging]. Tijdens zijn verhoor op 18 mei 2005 is appellant voorgehouden dat uit de bedrijfsadministratie was gebleken dat er geen strikte scheiding bestond tussen [naam bedrijf] en de opvolgende ondernemingen [naam uitzendbureau], [naam bedrijf 2], [uitzendbureau 2] en [naam nevenvestiging], waarop hij heeft verklaard dat de onderneming steeds werd overgedragen. De door appellant aangetrokken boekhouder heeft verklaard dat de handelsnaam heel vaak wijzigde, maar dat het altijd hetzelfde bedrijf was. Appellant heeft het bedrijf ook aangeduid als een familiebedrijf. Mede op basis van deze verklaringen staat voor de Raad vast dat geen sprake was van afzonderlijke ondernemingen, maar van één bedrijf dat zich bezig hield met verpakking van producten alsmede uitlenen van personeel.

4.2.1. Tijdens het fraudeonderzoek door de belastingdienst zijn niet alleen appellant, zijn broer en diens echtgenote, appellants nicht en zijn zoon verhoord, maar zijn ook de opeenvolgende boekhouders van het bedrijf, [naam boekhouder 1] en [naam boekhouder 2] als getuige gehoord alsmede drie opdrachtgevers, [opdrachtgever 1], [opdrachtgever 2] en [opdrachtgever 3]

4.2.2. Uit de afgelegde verklaringen blijkt naar het oordeel van de Raad onmiskenbaar dat appellant het bedrijf heeft geleid en dat de activiteiten van betreffende familieleden, voor zover zij al enige inbreng hebben gehad in het bedrijf, van ondergeschikte betekenis waren. Zo heeft [naam echtgenote] tijdens haar verhoor verklaard dat zij het bedrijf op haar naam heeft gehad, maar dat zij er verder helemaal niets mee te maken heeft gehad. [naam nicht] heeft verklaard dat het bedrijf op papier van haar was, maar dat het qua werkzaamheden van appellant was en dat appellant eigenlijk alle werkzaamheden deed behalve de bespreking met klanten en het verdelen van taken over het personeel. De genoemde opdrachtgevers, die in de periode van november 1999 tot op de dag van het horen op 18 februari 2004 inpakwerk hebben uitbesteed dan wel personeel hebben ingeleend, hebben verklaard dat alle contacten met appellant verliepen, dat met hem de werk- en prijsafspraken verliepen en dat hij alles regelde. Deze opdrachtgevers hebben derhalve ontkend dat zij in de betreffende periode contacten hebben onderhouden met [naam nicht], zoals zij heeft verklaard. [Naam boekhouder 1], die vanaf begin 2003 de boekhouding heeft verzorgd, heeft verklaard dat hij uitsluitend met appellant contact had, dat in zijn ogen appellant het bedrijf runde en naar zijn indruk appellant over het totale ondernemingsvermogen beschikte. [naam boekhouder 2], die vanaf begin 2004 als boekhouder is aangetrokken, heeft verklaard dat hij in opdracht van appellant werkzaam was en de naam en derhalve ook de persoon van onder meer [naam zoon] niet kende.

4.2.3. Voor de stelling van appellant dat zijn broer [naam broer], zijn schoonzus [naam schoonzus], zijn nicht [naam nicht] en zijn zoon [naam zoon] de opeenvolgende eigenaren en exploitanten van het bedrijf zijn geweest heeft hij geen bewijs geleverd. Niet is gesteld, noch uit de gedingstukken blijkt dat de onderneming op enig moment formeel is overgedragen, terwijl [naam broer] heeft verklaard dat hij niets voor het bedrijf heeft betaald. Daarbij merkt de Raad op dat de stelling dat appellants zoon [naam zoon] vanaf 1 oktober 2001 het bedrijf heeft geleid te meer onaannemelijk is aangezien hij op die datum 17 jaar oud was en de Nederlandse taal zodanig beperkt beheerste dat appellant om die reden de externe contacten onderhield. Bovendien heeft appellant verklaard dat hij zijn zoon geen grote bedragen of een bankpasje toevertrouwde omdat [naam zoon] een gokprobleem had. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellant tijdens zijn verhoor heeft erkend dat hij zich bezig heeft gehouden met het onderhouden van de contacten met klanten, het factureren, het aannemen en uitbetalen van het personeel en het verzorgen van de administratie. Derhalve staat voor de Raad vast dat appellant het bedrijf heeft geleid, ook in de periode vanaf 1 juli 2000 toen het bedrijf in het handelsregister op naam van de genoemde familieleden geregistreerd stond.

4.3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 28 september 1999, LJN: AA8773, is het Uwv in een geval waarin de betrokken uitkeringsgerechtigde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek vooraf moeten gaan en daarbij de nodige zorgvuldigheid moeten worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

4.3.2. De belastingdienst heeft onder meer op basis van de kasadministratie een berekening gemaakt van het behaalde resultaat uit onderneming in de jaren 1999 tot en met 2003 en heeft daarbij de gecorrigeerde winst vastgesteld op € 6.112,87 in 1999, € 17.549,- in 2000, € 85.320,- in 2001 en € 361.047,- in 2002 en tevens de winst in 2003 berekend op een bedrag van € 142.611,-. Bij de berekening van de correctie van de inkomstenbelasting, waarvoor aan appellant over de jaren 1999 tot en met 2002 naheffingsaanslagen zijn opgelegd, is uitgegaan van deze bedragen als aan appellant toegerekende verdiensten. Arbeidsdeskundige C.N. Verhoog heeft voor de toepassing van artikel 44 van de WAO een berekening gemaakt van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en is daarbij eveneens van de genoemde bedragen uitgegaan als zijnde de inkomsten die appellant in die jaren uit arbeid als zelfstandig ondernemer heeft genoten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv bij zijn berekeningen ten onrechte van genoemde bedragen is uitgegaan.

4.3.3. De stelling van appellant dat het Uwv het arbeidsinkomen heeft vastgesteld op het totale netto factuurbedrag van

€ 117.778,- in de periode 1999 tot medio 2001 berust naar het oordeel van de Raad op een misverstand. Bij het uitgevoerde derdenonderzoek is op basis van facturen, die niet in de administratie van appellants bedrijf waren aangetroffen, geconstateerd dat genoemd bedrag door het bedrijf aan [bedrijfsnaam] is gefactureerd. De onderzoeken bij andere opdrachtgevers hebben eveneens dergelijke factuurbedragen aan het licht gebracht. Genoemd bedrag is derhalve niet aangemerkt als het inkomen dat appellant in zijn bedrijf heeft genoten.

4.3.4. Appellant heeft geen gegevens aangedragen die een aanwijzing vormen dat de belastingdienst het vastgestelde belastbaar inkomen in de jaren 1999 tot en met 2002 op onjuiste wijze heeft berekend. Uit het bezwaarschrift tegen de onderhavige primaire besluiten kan weliswaar worden afgeleid dat appellant bezwaar heeft aangetekend tegen de opgelegde aanslagen inkomstenbelasting, maar daaruit blijkt niet welke grieven appellant heeft aangevoerd en evenmin of dat heeft geleid tot verlaging van die aanslagen. De gemachtigde van appellant kon daarover ter zitting van de Raad geen informatie verstrekken. De mededeling van de gemachtigde dat het onder 3.2 genoemde bedrag van € 77.586,06 alsnog in mindering is gebracht, geeft die duidelijkheid niet, omdat het gelet op haar uitlatingen zeer wel mogelijk is dat dit bedrag in de strafvervolging tegen appellant buiten beschouwing is gelaten. De Raad acht geen termen aanwezig om appellant, zoals ter zitting is verzocht, alsnog de mogelijkheid te bieden daarover informatie te verstrekken omdat niet is gesteld, noch is gebleken dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad om die gegevens tijdig in het geding te brengen.

4.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 12 december 2001, LJN: AD8145, bestaat bij de vaststelling van het inkomen van de betrokkene in het kader van de vaststelling van de op een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te passen korting geen ruimte voor correctie van dit inkomen met de zelfstandigenaftrek. De grief van appellant dat het Uwv, in afwijking van de belastingdienst, ten onrechte de zelfstandigenaftrek niet heeft meegenomen in de berekening van zijn inkomen kan derhalve niet slagen.

4.5. Appellant is van mening dat het Uwv op basis van de bij eerdere onderzoeken ontstane vermoedens dat hij feitelijk de werkgever is en zich aan uitkeringsfraude schuldig maakt, beduidend eerder onderzoek had dienen in te stellen. Door de nalatigheid van het Uwv acht appellant zich benadeeld. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Het lag primair op de weg van appellant om het Uwv te informeren over zijn werkzaamheden. De Raad stelt vast dat appellant het Uwv niet in kennis heeft gesteld van de start van zijn bedrijf op 28 oktober 1999 en de daarop volgende werkzaamheden in het bedrijf. De omstandigheid dat het Uwv ermee bekend was dat appellant in een andere context ombudsmanachtige activiteiten ontplooide doet daaraan niet af omdat dergelijke onbeloonde activiteiten geenszins op één lijn zijn te stellen met werkzaamheden binnen een op winst gerichte onderneming. Ook het oogmerk van appellant, zoals hij heeft gesteld, om gehandicapte personen met de Turkse nationaliteit of achtergrond in beschutte omstandigheden aan werk te helpen doet daaraan niet af. De Belastingdienst/FIOD/ECD heeft een uitvoerig onderzoek verricht inzake belastingfraude in de onderneming van appellant, waarna het Uwv van de resultaten van dat onderzoek in kennis is gesteld. Vervolgens heeft het Uwv onderzoek verricht inzake premie- en uitkeringsfraude. Van dat laatste onderzoek is op 17 november 2005 proces-verbaal opgemaakt. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met de nodige voortvarendheid gehandeld door in december 2005 en januari 2006 de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende primaire besluiten te nemen. De Raad kan derhalve de opvatting van appellant niet delen dat het Uwv in dit verband de redelijke termijn heeft overschreden. Evenmin acht de Raad van belang dat het Uwv mogelijk eerder aanwijzingen heeft gehad dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting handelde en eerder tot onderzoek had kunnen overgaan.

4.6. Ten slotte overweegt de Raad dat het Uwv bij brief van 19 april 2007 alsnog een specificatie heeft verstrekt van het bedrag van de terugvordering en dat dit bedrag, zoals appellants gemachtigde ter zitting heeft verklaard, niet langer in geschil is.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat de bestreden besluiten op goede gronden berusten, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM