Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
06-6504 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van de kosten van gevolgde opleiding. Geen reïntegratieovereenkomst. Geen redelijke afweging van de rechtstreeks betrokken belangen. Niet adequate handelwijze van het Uwv kan niet zonder enig materieel gevolg blijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6504 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 oktober 2006, 05/1669 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is gehouden op 16 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 september 2003 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gaan ontvangen. CWI-medewerker G.W.B. Bosscher heeft op 18 maart 2004 met appellant een onderhoud gehad in het kader van een onderzoek naar de reïntegratiemogelijkheden van appellant. Naar aanleiding van dit onderhoud heeft Bosscher een zogeheten reïntegratie-advies opgesteld. Daarin heeft hij aangegeven dat het voor appellant noodzakelijk is de opleiding tot trainer/coach te volgen. De kosten van deze opleiding bij New Dimensions Trainers Academy bedragen € 9.460,--. Dit advies is op 23 augustus 2004 uitgebracht aan het Uwv.

1.2. Appellant heeft in 2004, na het onderhoud met Bosscher en vooruitlopend op besluitvorming door het Uwv, de opleiding trainer/coach bij New Dimensions Trainers Academy gevolgd.

1.3. Appellant heeft op 22 maart 2005 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een individuele reïntegratieovereenkomst (IRO). Van deze aanvraag maakt deel uit het verzoek om vergoeding van de kosten van de inmiddels afgeronde opleiding tot trainer/coach. Op 29 maart 2005 heeft het Uwv de aanvraag voor een IRO gehonoreerd, met uitzondering van de kosten voor de gevolgde opleiding. Bij schrijven van 21 april 2005 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit tot gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.

1.4. Bij schrijven van 29 april 2005 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van de kosten van de gevolgde opleiding trainer/coach. Het Uwv heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 3 juni 2005. Bij besluit van 8 september 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 3 juni 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv aan de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de opleidingskosten uiteindelijk ten grondslag heeft gelegd dat met appellant ten tijde van het volgen van de opleiding geen reïntegratieovereenkomst was gesloten. Om die reden was er geen kader waarbinnen tot vergoeding van de opleidingskosten kon worden overgegaan. De rechtbank heeft de aldus gemotiveerde afwijzing van het verzoek door het Uwv in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat Bosscher tijdens het onderhoud op 18 maart 2004 te kennen had gegeven dat hij zou adviseren de opleidingskosten voor vergoeding in aanmerking te brengen, dat het vervolgens aan het Uwv was om te beslissen op het verzoek tot vergoeding van de kosten en dat het Uwv in de regel het advies van het CWI overnam. Hij heeft gesteld dat hij zelf op 23 augustus 2004 het CWI-advies aan het Uwv heeft verzonden, nadat hem gebleken was dat twee eerder verzonden afschriften van het advies in het ongerede waren geraakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

4.1.2. Artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot taak heeft de inschakeling in de arbeid te bevorderen van werknemers, niet zijnde overheidswerk-nemers, die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb.

4.1.3. Ingevolge artikel 72, vijfde lid, van de WW kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de uitvoering van dit artikel.

4.1.4. Ingevolge artikel 4.2 van het Besluit structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Besluit Suwi) kan het Uwv ten behoeve van de werknemer, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de WW op diens aanvraag een individuele reïntegratieovereenkomst sluiten met een reïntegratiebedrijf, ter uitvoering van werkzaamheden die zijn gericht op de inschakeling in het arbeidsproces.

4.1.5. Op de aanvragen van een IRO die zijn ingediend in de periode van 1 januari 2004 tot 14 juli 2004 is het toetsingskader van toepassing, zoals neergelegd in de Circulaire invoering noodprocedure individuele reintegratieovereenkomst (IR/AG/WW, C 2003. 025). Met ingang van 14 juli 2004 is de dit toetsingskader vervangen door het in het Besluit Suwi opgenomen beoordelingskader.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant ten tijde van het onderhoud met de CWI-medewerker Bosscher op 18 maart 2004 een aanvraag voor een IRO had kunnen indienen. Zou hij dat gedaan hebben dan zou toen zijn beoordeeld of hij in aanmerking zou komen voor een vergoeding van de kosten voor de opleiding trainer/coach. CWI-medewerker Bosscher heeft appellant echter niet, dan wel niet adequaat geïnformeerd over deze mogelijkheid, zodat het toen niet tot het indienen van een dergelijke aanvraag is gekomen.

4.3. De Raad moet verder vaststellen dat het zogeheten reïntegratieadvies van Bosscher niet heeft geleid tot besluitvorming door het Uwv. Eerst naar aanleiding van de door appellant op 22 maart 2005 ingediende aanvraag voor een IRO en zijn nadien ingediende verzoek op 29 april 2005 om vergoeding van de kosten voor de opleiding voor trainer/coach heeft het Uwv besloten deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking te brengen. De afwijzing van dit verzoek heeft het Uwv, blijkens de uitspraak van de rechtbank, uiteindelijk gebaseerd op de overweging dat ten tijde van het volgen van de opleiding geen reïntegratieovereenkomst was gesloten.

4.4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de afwijzing van het verzoek van appellant op de aangegeven grond in rechte kan standhouden. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Hij overweegt daartoe het volgende.

4.4.1. CWI-medewerker Bosscher heeft aan het verzoek van appellant tot vergoeding van de opleidingskosten geen adequaat bestuurlijk vervolg gegeven. Gelet op de sedert 1 januari 2004 geldende regelgeving had het op zijn weg gelegen om appellant te adviseren het verzoek tot vergoeding van de opleidingskosten in de vorm van een aanvraag van een IRO in te dienen.

4.4.2. Met het Uwv en de rechtbank oordeelt de Raad dat het verzoek van appellant tot vergoeding van de opleidingskosten beoordeeld dient te worden in het kader van de sedert 1 januari 2004 geldende regelgeving. Door evenwel de afwijzing van het verzoek van 27 april 2005 om deze kosten alsnog voor vergoeding in aanmerking te brengen uitsluitend te baseren op de overweging dat appellant ten tijde van het volgen van de opleiding geen reïntegratieovereenkomst had gesloten en geheel voorbij te gaan aan de niet adequate handelwijze van het CWI, heeft het Uwv geen blijk gegeven van een redelijke afweging van de rechtstreeks betrokken belangen. Naar het oordeel van de Raad kan deze - voor risico van het UWV komende - niet adequate handelwijze niet zonder enig materieel gevolg blijven.

4.5. Het vorenstaande betekent dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het besluit van 8 september 2005 wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 13,10 in beroep en € 13,40 in hoger beroep voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 september 2005;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.314,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.C.P. Venema en L.J.A Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

OA